Extra geld voor `allochtoon'

Het ministerie van Onderwijs hanteert een speciaal subsidiebeleid voor allochtone leerlingen. In het basisonderwijs worden hiertoe kinderen gerekend met laagopgeleide ouders, van wie er ten minste één in het buitenland is geboren. De school krijgt voor hen bijna twee keer zoveel geld als voor een autochtoon kind met gemiddeld tot hoogopgeleide ouders. In Amsterdam behoort 49 procent van de kinderen tot deze `1.9-kinderen'. Kinderen van bijvoorbeeld hoogopgeleide Iraniërs horen er dus niet toe. In het voortgezet onderwijs gelden strengere criteria voor extra geld: de verblijfsduur van de ouders in Nederland wordt meegerekend. Daardoor vallen bijna alle Surinamers buiten die groep en voldoet maar eenderde van de Amsterdamse middelbare scholieren aan díe criteria.