Werven en fabrieken

En weer sluit een Nederlandse scheepswerf haar poorten. Van der Giessen-de Noord, een bedrijf in Krimpen aan den IJssel met een bijna 185-jarige geschiedenis in de scheepsnieuwbouw, wordt door moederconcern IHC Caland opgedoekt omdat het te veel verlies maakt. De geijkte woorden klinken: moordende concurrentie uit het Verre Oosten, concurrentievervalsing door ongeoorloofde staatssteun aan EU-collega's en de economische malaise. Het is een fatale combinatie voor zo'n kwetsbare bedrijfstak. Of moet men zeggen: voor zo'n kwetsbaar bedrijf? Want de scheepsbouw als geheel heeft zijn sanering achter de rug en is in de kern gezond. In de jaren tachtig kwam voorgoed een einde aan de scheepsnieuwbouw zoals Nederland die had gekend. Werven gingen dicht; de ondernemingen die overbleven verrichten nu met minder mensen het maatwerk dat goedkopere bedrijven elders niet kunnen leveren.

Van der Giessen-de Noord overleefde die turbulente tijd. Een reorganisatie kostte in 1986 meer dan duizend werknemers hun baan, maar het bedrijf wist zich te specialiseren in de bouw van veerboten en kon met wat pieken en dalen het nieuwe millennium halen. Geen geringe prestatie: vrijwel alle andere grote werven die Van der Giessen ooit omringden, met klinkende namen als Vuyk en Boele, zijn allang opgedoekt. Op hun gesaneerde terreinen zijn doe-het-zelfhallen, parken of appartementen met zicht op de rivier verrezen. Dat lot is ook Van der Giessen-De Noord beschoren. De werf ligt op een markante plek: daar waar Hollandsche IJssel en Noord samenkomen en Nieuwe Maas gaan heten. Een paar bootjes moeten nog worden afgebouwd en dan is het gebeurd. In feite was het veerschip `Pascal Paoli' de laatste grote order voor de werf. Bouwnummer 988 werd in juni opgeleverd aan de Franse opdrachtgever, die het inzet op de veerdienst naar Corsica.

Het heeft schijnbaar iets onvermijdelijks: de lonen in West-Europese landen zijn te hoog om dure productiecapaciteit te handhaven. Of het nu scheepswerven zijn of gloeilampenfabrieken, ze kunnen eigenlijk niet meer in Nederland (of Duitsland, België, Frankrijk) zijn gevestigd omdat de kosten te hoog zijn. Philips-topman Gerard Kleisterlee maakte zaterdag in deze krant bekend dat Philips als kostenbesparende maatregel één op de drie fabrieken zal afstoten. Het laat zich raden welke: niet die in China, Thailand of Polen. Wél die in de hogelonenlanden. Het concern wil zich toeleggen op het aan de man brengen van zijn uitvindingen. De boodschap is helder. Van marketing, handel en denkwerk moeten landen als Nederland het hebben. Voor productie zijn we te duur.

Toch is het onbevredigend. Van der Giessen moet niet alleen sluiten wegens scherpe of oneerlijke concurrentie. Het bedrijf heeft in het recente verleden ontwerpfouten gemaakt waardoor na de bouw van veerboten dure aanpassingen nodig waren. Philips had de mogelijkheid als eerste in de productie van mobiele telefoons te stappen, maar liet zijn beurt aan Nokia voorbijgaan – nota bene een Fins bedrijf met een vergelijkbaar loonpeil. Blunders zijn van alle tijd en iedereen kan ze begaan. Het gevolg is wel dat Nederland met de sluiting van Van der Giessen een van de laatste scheepswerven verliest die nog grote veer- en passagiersschepen kunnen bouwen. Zo verdwijnt steeds meer expertise: ontwerpers en lassers, denkwerk en handwerk.

Van marketing en dienstverlening alleen kan een land niet leven. Het gaat ook te ver om te zeggen dat dat hier het geval is. Maar het gemak waarmee productiecapaciteit wordt opgeheven, met verwijzing naar `de concurrentie in het Verre Oosten', is kortzichtig. Het gaat niet alleen om het werk van velen. Het gaat om de inventiviteit die nodig is om de concurrentie elders in de wereld aan te gaan, júist waar die het scherpst is. Daarvoor zijn productie en fabricage nodig, die samen innovatie mogelijk maken. Lankmoedigheid hierover kan op termijn funest zijn.