Poolse kompels beginnen voor zichzelf

In het zuidwesten van Polen gaan de mijnen dicht: ze zijn te duur. De ontslagen mijnwerkers beginnen op veel plaatsen voor zichzelf. Het is gevaarlijk, maar er zijn nergens banen.

Als het licht wordt, daalt Zdzichu af in de duisternis. Hij loopt naar het nabijgelegen bos, hangt z'n trui in een struik, doet stevige handschoenen aan en verdwijnt in een groot, donker gat in de grond. De tandeloze oude man met vriendelijke oogjes graaft in het bos stiekem naar kolen. ,,Het is de enige manier om te overleven'', zegt Zdzichu.

De laatste mijn in Walbrzych, een stadje in het zuidwesten van Polen, werd in 1996 gesloten, maar het geluid van hamers en pikhouwelen is nimmer verstomd. De verleiding om te graven is te groot: de kolenvoorraden in deze contreien liggen dicht tegen de oppervlakte. De noodzaak om te graven is zo mogelijk nog groter: Walbrzych gaat gebukt onder een – zelfs voor Poolse begrippen – enorme werkloosheid. Meer dan 28 procent van de 140.000 inwoners heeft geen werk, vergeleken met een landelijk gemiddelde van 17,8 procent.

Nergens in Polen komt het gebrek aan banen zo concreet tot uitdrukking als hier. In en rondom het stadje zijn honderden illegale mijnen te vinden, gewoon langs de weg, in de bossen of bij iemand in de achtertuin. Zo'n twee- tot drieduizend mannen, vrijwel allemaal oud-mijnwerkers, voorzien op deze manier in hun onderhoud en dat van hun families. De mijnen worden biedaszyby genoemd, letterlijk `armoedeschachten', een woord dat vóór de oorlog voor het laatst in zwang was. De gravers werken soms alleen, soms in groepjes, afhankelijk van de vraag hoe diep en gevaarlijk de ondergrondse gangen zijn.

De stad heeft de vaak gammele mijntjes jarenlang ongemoeid gelaten, maar werd hierover eerder dit jaar op de vingers getikt door de lokale arbeidsinspectie. Onder de gravers zijn dit jaar al drie doden gevallen – nota bene in de rustige periode; de illegale kolenwinning komt vanaf september, in de aanloop naar de winter, pas echt goed op gang. Het gegraaf loopt bovendien de spuigaten uit: kabels en gasleidingen zijn op veel plekken blootgelegd en het effect op de natuur is zo langzamerhand verwoestend. In de bossen geldt een wandelverbod.

De afgelopen twee maanden zijn vijfhonderd clandestiene gravers aan een baan geholpen bij de gemeente. Dit betekent in de praktijk meestal dat ze – tegen betaling – de gaten mogen dichtgooien die ze zelf hebben gegraven. Andere werkgevers, in de private sector, branden hun vingers liever niet aan de oud-mijnwerkers, wegens de mogelijke gezondheidsproblemen van deze groep mensen. Het banenproject heeft een tijdelijk karakter: de contracten hebben een duur van vier tot twaalf maanden. Daarna staan de gravers in principe weer op straat.

En begint alles van voren af aan. ,,Tenzij er geld beschikbaar komt'', zegt Piotr Kruczkowski, de burgemeester van Walbrzych. De dodelijke ongelukken hebben de regering in Warschau even wakker geschud: er is geld gestuurd. Maar dat bedrag dekt de kosten voor de sluiting van hooguit tweehonderd biedaszyby. Om alle naar schatting ruim duizend gaten af te dichten heeft Kruczkowski 700.000 zloty (ruim 160.000 euro) nodig. Warschau weigert vooralsnog. De burgemeester is niettemin tevreden dat er tenminste iets gebeurt. ,,De afgelopen drie jaar is er niets aan dit probleem gedaan. Dit is in feite de eerste serieuze poging om het op te lossen.''

Jerzy Kosmaty, de directeur van het lokale mijnmuseum, heeft een dubbel gevoel bij de biedaszyby. Het is tragisch dat deze mannen – ooit trotse mijnwerkers – nu voor een paar honderd euro hun leven riskeren. Maar ze hebben, zegt hij, deze situatie zelf in de hand gewerkt, begin jaren negentig, toen de sluiting van het mijnwezen aan de orde was. ,,De mijnen hoefden niet dicht'', zegt Kosmaty, die vroeger aan het hoofd stond van de grootste mijn in het gebied. ,,Het graven zelf was winstgevend.'' Dat er verlies werd geleden kwam door de vele sociale voorzieningen, zoals speciale verenigingen voor mijnwerkers, vakantiehuisjes aan de kust en kinderopvang. De mijnwerkers waren fel gekant tegen beknibbeling op hun privileges. En zitten daardoor nu op de blaren.

,,We importeren tegenwoordig kolen uit Tsjechië'', zegt Kosmaty. ,,Daar is het kennelijk wel winstgevend.''

De `kolenmijn' van Zdzichu ligt vijf meter diep en is twaalf meter lang. Boven het mijngat hangt een eenvoudige hefboom, gemaakt van stevige takken, om de kolen – in emmers – omhoog te hijsen. In de schacht zitten, overdwars, korte boomstronken geklemd om in en uit de mijn te kunnen klimmen. ,,Om de zoveel weken komt er een man met een vrachtwagen langs die de kolen opkoopt en ermee langs de omliggende dorpen rijdt'', zegt Zdzichu. De tussenhandelaren betalen per dag of per zak. Zdzichu verdient naar eigen zeggen ongeveer 2.000 zloty per maand, rond 475 euro, wat in deze streek een goed salaris kan worden genoemd.

Zdzichu is niet alleen in het bos. Vanaf zijn stek zijn tientallen andere gaten in de grond zichtbaar. Het terrein is systematisch afgegraven, de bodem lijkt opengescheurd, alsof er een reusachtige ploegschaar doorheen is gegleden. Bomen zijn omgekapt of dreigen om te vallen. Op één van de bomen hangt een groot, zilverkleurig kruisbeeld, ter nagedachtenis aan de doden die hier zijn gevallen. Zdzichu zucht als hij aan de risico's denkt die hij loopt. Maar hij blijft graven.

Één bos verderop doet Zbigniew precies het tegenovergestelde: hij gooit illegale mijnen dicht. De oud-mijnwerker groef tot voor kort ook stiekem naar kolen, maar neemt nu deel aan het banenproject van de gemeente. Hij verdient nu 600 zloty per maand, ongeveer 140 euro. ,,Het is voor mij genoeg, maar anderen redden het niet.'' Vandaag zijn Zbigniew en zes andere ex-gravers een veertig meter lange mijnschacht aan het dichtgooien. ,,Dit is niet echt anders dan wat ik altijd heb gedaan. Vroeger werkte ik duizend meter onder de grond en nu aan de oppervlakte. Maar verder is het nog steeds: hamer en pikhouweel.''

    • Stéphane Alonso