Het maakbare Irak

Begint het al te wennen? Bij geweld in Irak zijn de afgelopen dagen opnieuw ruim een dozijn doden gevallen, onder wie drie Britse militairen in Basra en tien Turkmenen bij onlusten met Koerden in de stad Kirkuk. Dat het maar niet wil wennen, komt ook al doordat de stroom zorgelijke berichten geregeld wordt onderbroken door een onthutsende klap elders: nu weer een aanslag in Bombay, vermoedelijk het werk van moslimextremisten, vijftig doden.

Het gaat moeizaam met de Amerikaanse oorlog tegen terreur. Afghanistan, waar nog altijd resten van de Talibaan en Al-Qaeda de kop opsteken, is buiten de hoofdstad Kabul weer het domein van krijgsheren, die zich weinig gelegen laten liggen aan het wereldwijde Amerikaanse project voor democratie en vrijheid. Meisjes in Kabul en omstreken gaan weer naar school, dát is belangrijke winst, maar als geheel biedt het land een treurige aanblik.

De toestand in Irak is bekend: na de zege die George Bush in vliegenierspak uitriep aan boord van een vliegdekschip voor de Californische kust, worden de Amerikaanse troepen geterroriseerd door wat waarschijnlijk een moorddadig allegaartje is van voormalige Ba'athisten, onderwereldfiguren en islamitische extremisten. Het land, het is vaker opgemerkt, dreigt na de oorlog te worden waar de Amerikanen het eerder voor aanzagen: een brandhaard van terrorisme. Het getuigt van nogal laconiek optimisme om de problemen waarvoor de Amerikanen zich nu in Irak gesteld zien, af te doen als normale, te verwachten groeistuipen van een bevrijd land in een overgangsfase. Juist met die overgang naar een ordelijke democratie wil het niet vlotten, mede omdat de Amerikanen zich in hun maakbaarheidsgeloof te veel hebben geconcentreerd op de bovenbouw (een nieuwe grondwet, nieuwe staatsorganen) en te weinig op de basis. Zolang water, gas en licht haperen, en de zwaar gehavende infrastructuur verlamd blijft, zal het wantrouwen van de gewone Irakezen tegenover hun bevrijders maar moeilijk afnemen. Ondertussen zullen de Amerikaanse militairen, bedreigd en belegerd in een bevrijd land, zich noodgedwongen steeds meer als bezetters gaan gedragen. De incidenten waarbij Iraakse burgers doodgeschoten worden bij controleposten, zijn er een teken van. Het is niet te laat, een compleet Amerikaans failliet is nog ver weg, maar het wordt wel zaak de wederopbouw van het land veel voortvarender, en in internationaal verband, aan te pakken. Dat lijkt ook Bush te beseffen. Verdwenen is het gesnoef dat her en der klonk over de Verenigde Naties die maar beter kunnen `wegzinken in de Hudson rivier', zeker nu ook de VN in Bagdad getroffen zijn door een aanslag.

Intussen kunnen in de huidige prozaïsche toestand een paar conclusies worden getrokken over aanloop en vervolg van de oorlog. Vast staat nu wel dat het acute gevaar van Saddams regime voor het Westen is overdreven, met hulp van aanjagers van de oorlog en de massamedia. De verwarrende stroom berichten over Saddams bezit van vernietigingswapens is systematisch gekanaliseerd tot een worst-case scenario dat als feit werd gepresenteerd: zie Bush met de veronderstelde Afrikaanse aankoop van uranium door Saddam, en Blair met zijn gewraakte frase over de 48 uur waarin de Iraakse dictator zijn wapens vuurklaar zou kunnen hebben. De wapens van Saddam vormden vorig jaar simpelweg geen bedreiging voor de westerse wereld, concludeerde de Britse stafchef Jonathan Powell in een e-mail die pas deze maand in Engeland openbaar werd.

Dat wil niet zeggen dat Saddam Hussein maar beter had kunnen blijven zitten. Inderdaad, de massagraven die in Irak zijn geopend spreken boekdelen over het perfide karakter van zijn regime. Maar het probleem is, dat de oorlog tegen Irak nu juist niet werd verkocht als een mensenrechten-operatie (daar waren de meest ideologische haviken in Washington juist wars van, als erfenis van het halfzachte Clinton-tijdperk), maar als een preventieve aanval tegen een acute bedreiging van de wereldvrede. Ook een van de architecten van het Amerikaanse Irak-beleid, Paul Wolfowitz, heeft toegegeven dat de wapens van Saddam vooral een gelegenheidsargument waren. Voor een goede zaak, maar dan nog: regeringen die hun parlement en publieke opinie misleiden en angst aanjagen, brengen het democratische proces, nationaal en internationaal, schade toe. Dat is een van de kwalijke erfenissen van de voorfase van de oorlog. De massale eenduidigheid van de Amerikaanse media in de aanloop naar de invasie, vooral de televisie, wijst misschien op een lovenswaardig patriottisme, maar ook op een groeiende onwil, of onvermogen, om dat democratische proces kritisch te bewaken.

Dan de wederopbouw. Het grote plan dat Amerikaanse beleidsmakers voor ogen hadden van een democratische revolte in het Midden-Oosten, met Irak als eerste domino, blijkt een praktische basis te missen. Irak is overgeleverd aan snel wisselende bewindvoerders, een onderbetaalde en bedreigde bevrijdingsmacht, en een scala aan particuliere ondernemingen die op contractbasis een graantje mee proberen te pikken van de operatie. Het leidt tot een merkwaardige combinatie van torenhoge kosten `Irak' heeft inmiddels miljarden dollars gekost en bezuinigingsdrift. Zo klagen de Amerikaanse troepen in Irak opvallend genoeg over hun povere rantsoenen, verstrekt door een particulier voedselbedrijf dat alles op contractbasis en op een koopje doet.

Wat te doen? Nu de ideologische vervoering die in sommige kringen heerste over shock and awe als klaroenstoot van een nieuwe Pax Americana, weer enigszins is verminderd, wordt het tijd om de wederopbouw van Irak te zien voor wat het is: een titanenklus die tijd vergt en niet naar behoren kan worden uitgevoerd door een bezettingsmacht. Steun van internationale organisaties als de VN, maar ook van Europese landen die vroeger in het land investeerden, is onontbeerlijk. Zo'n inkadering van het Amerikaanse optreden in internationaal verband, beter laat dan nooit, zou iets kunnen herstellen van de schade die aan de vooravond van de oorlog is toegebracht aan de internationale betrekkingen. Het zou ook het ondermijnende idee kunnen wegnemen dat de Amerikanen worden gedreven door een streven naar hegemonie, en dat met Saddam werd afgerekend zoals eerder met Manuel Noriega van Panama: een criminele dictator die door Washington in het zadel werd gehouden zolang hij van pas kwam, maar die toen hij een los kanon werd op het dek, werd uitgeroepen tot nationale vijand nummer één.