Open werving topbestuurders vormt rem op zelfverrijking

De bezoldiging van de top van het Nederlandse bedrijfsleven houdt de gemoederen geruime tijd flink bezig. De politiek, vakbeweging en ook het bedrijfsleven zelf spreken bij herhaling hun verontwaardiging uit over de `exhibitionistische zelfverrijking' van de topbestuurders. Het aantal maatregelen ter beteugeling van de exhibitionistische zelfverrijking houdt echter geen gelijke tred met de uitingen van verontwaardiging.

Het belangrijkste voorstel tot op heden is de `code' van de commissie Tabaksblat, die oproept tot zelfregulering van ondernemingsbesturen om paal en perk te stellen aan de alsmaar stijgende topinkomens en de gouden handdrukken. De zelfregulering moet met name komen van aandeelhouders en commissarissen, die meer zeggenschap en controle over de beloning en afvloeiingsregelingen moeten krijgen.

Het is een illusie veel heil te verwachten van zelfregulering, zoals bepleit door Tabaksblat. Immers, de onderliggende krachten die in het spel zijn, zijn gevoelens van onderbetaling en onderwaardering vanwege het feit dat de Nederlandse topbestuurder opereert in een internationale context wat zijn zakelijke en persoonlijke contacten betreft. Het gevolg is dat niet de Nederlandse inkomensverdeling zijn referentiekader vormt, doch de internationale.

Welnu, binnen de Europese Unie is de Nederlandse topbestuurder slechts een middenmoter, die Britse, Duitse en zelfs Belgische en Spaanse bestuurders voor zich moet dulden, om van Amerikaanse maar niet te spreken. Vanuit dit internationale perspectief bezien zal de Nederlandse topbestuurder zich niet alleen onderbetaald voelen, doch vooral ondergewaardeerd waardoor zijn gevoel van eigenwaarde aangetast wordt. Vandaar de volharding in zijn streven om zijn inkomenspositie te verbeteren, ondanks de hoon die van alle kanten over hem wordt uitgestort.

Ook valt weinig te verwachten van de controle van de raad van commissarissen omdat deze voornamelijk bestaat uit personen die juist gecontroleerd moeten worden. Immers, de verwevenheid in het Nederlandse bedrijfsleven is zo groot dat je je moet afvragen of de top-25 van de beurs niet een onderneming is. Zelfregulering door de commissarissen zou dus neerkomen op zelfcontrole. Voor de aandeelhouders is het van hetzelfde laken een pak: hier maken de grootaandeelhouders de dienst uit, de financiële instellingen voorop.

Het lijdt geen twijfel dat de drang tot zelfverrijking aan banden moet worden gelegd, al was het alleen maar vanwege de verziekende invloed ervan op het sociaal-economische en algemeen maatschappelijke klimaat. De vakbeweging heeft de grootste moeite haar leden van loonmatiging te overtuigen zolang de exhibitionistische zelfverrijking voortduurt. Ook de goede naam en geloofwaardigheid van het bedrijfsleven is in het geding wanneer de topbestuurders publiekelijk als graaiers en zakkenvullers aan de schandpaal worden genageld. Tenslotte ondergraaft de zelfverrijking van een belangrijk deel van de maatschappelijke elite en de daarmee gepaard gaande commotie, de door Balkenende cum suis zo sterk bepleite normen en waarden van burgerschap.

Als mogelijke oplossing kan worden gedacht aan versterking van de rol van de ondernemingsraad bij benoemingen van topbestuurders, in combinatie met een andere rekruteringsstrategie. Nu worden kandidaten vooral gezocht door (oud)topbestuurders in hun old boys netwerken. Echter, ook buiten deze netwerken bevinden zich uitstekende kandidaten, die nog niet behept zijn met het virus van zelfverrijking, die vooral geïnteresseerd zijn in de uitdaging een grote onderneming te leiden en met wie afspraken zijn te maken over de bezoldiging om te voorkomen dat deze uit de hand loopt. Om deze groep van potentiële bestuurders te bereiken zal de werving een veel opener karakter moeten krijgen, zoals bij publieke functies het geval is. Sterkere betrokkenheid van de ondernemingsraad kan bijdragen aan een zorgvuldiger en opener selectie en medeverantwoordelijkheid.

Van belang bij het zoeken naar een oplossing is ook de erkenning van het internationale karakter van zelfverrijking. Door een internationale aanpak, in eerste instantie in EU verband, kan de angel uit het probleem worden getrokken. Mochten deze oplossingen niet, of slechts op lange termijn, mogelijk zijn, dan ligt een belasting op exhibitionistische verrijking voor de hand. Weliswaar wordt hiermee niet het probleem in de kern aangepakt, maar kan wel de maatschappelijke verontwaardiging getemperd worden.

Prof.dr. H. Folmer is hoogleraar economie aan de Universiteit van Tilburg en de Wageningen Universiteit.