De Olympische Spelen van 1928

Voor Nederland waren het in Amsterdam `de Spelen' van de turnsters (goud), van de Dutch Windmill (bokser Bep van Klaveren die goud in het vedergewicht won), van de wielrenners Leenen en Van Dijk (goud op de tandem), Zus Braun (goud op de 100 meter rugslag) en natuurlijk van de gouden ruiterploeg met Pahud de Mortanges en De Kruyff als de uitblinkers.

Voor de wereld waren het die van de latere Tarzan Johnny Weissmuller, die gemakkelijk goud op de 100 meter vrije slag won hoewel hij bij het keerpunt zo'n slok water binnen kreeg dat hij zich even geen raad wist en naar eigen zeggen ,,op de rand van een black out balanceerde'', en van de Australische skiffeur Bob Pearce die zo sterk was dat hij op de roeibaan in Sloten (waar overigens maar twee boten tegelijk konden varen) zijn riemen in kon houden om een eendenfamilie te laten oversteken om daarna zijn tegenstander te achterhalen en deze met een straatlengte te kloppen. Maar Amsterdam was bovenal de afsluiting van het tijdperk van Paavo Joannes Nurmi. De Fin won bij zijn derde Spelen nog één keer goud (10.000 meter) en twee keer zilver (5.000 meter en 3.000 meter steeple), beide keren liet hij een landgenoot voorgaan. Nurmi bracht zijn totaal aan olympische medailles daarmee op negen gouden en drie zilveren en staat daarmee derde op de ranglijst van de Zomerspelen. Bij eerdere Spelen had hij op zijn `zilveren' nummers al goud behaald, net zoals op de 1.500 meter en op de 8.000 meter veldloop. En dan was er nog de marathon, waarvan het parcours voor een deel langs de Amstel liep. De Fransman Boughèra El Quafi won in 2 uur en 33 minuten, een tijd waarmee je 75 jaar later zelfs bij de vrouwen nog geen subtopper bent. Maar in Amsterdam werd daar nog niet aan gedacht. Op een langere afstand dan de 800 meter zouden vrouwen met goed fatsoen toch nooit kunnen uitkomen.

Laatste deel van een korte serie over de Olympische Spelen van Amsterdam. Daarvoor is onder meer de `Kroniek van de Olympische Spelen' gebruikt.

    • Quirien van Koolwijk