Bruiloft

Op de bruiloft van mijn dochter liep een jongen rond die zich op een fascinerende manier onttrok aan de vrolijkheden. Hij hoorde bij de familie, en dus werd hij geacht aanwezig te zijn, maar daarmee hield het wat hem betrof op. Uit zijn houding sprak een bijna demonstratief innerlijk verzet tegen de feestelijke woelingen om hem heen.

Je voelde hem denken: wat stellen ze zich toch aan, die volwassenen. Moet je ze nou eens zien: de een houdt een toespraak en moet lachen om zijn eigen geestigheid, de ander danst met een te oud lichaam op te jonge muziek, en bruid en bruidegom doen voortdurend alsof ze reuze aangenaam verrast worden. Wat een flauwekul toch. Weet je wat? Ik ga maar even een straatje om. Dan is er weer een kwartier voorbij als ik terugkom.

Ik schatte de jongen op een jaar of veertien, vijftien. De leeftijd waarop de wereld je voorkomt als een complot van krankzinnigen, huichelaars en tirannen die maar op één ding uit zijn: jou onder controle krijgen. Nepmensen die nooit iets van jou zullen begrijpen. Ouders die te vastgeroest zijn om je te kúnnen begrijpen.

En wat kun je eraan doen? Niets. Daarin was ook deze jongen inmiddels verzand: niets doen. Niet praten, niet lachen, niet huilen.

Alleen nors, mokkend kijken.

In zijn eenzame onverschilligheid kreeg de jongen iets heroïsch. Hij was de enige die zich niets aantrok van alle sociale codes en zijn eigen gang ging. Hij meed de blikken van anderen en keek alleen rond in zijn eigen binnenkamer, waar duisternis heerste.

Af en toe liep hij naar een roeibootje in een vijver, even verderop, stapte erin en liet het bootje doelloos schommelen door zijn voeten op en neer te bewegen. Hij hield zijn blik strak op het water gericht, alsof hij daar een geheim vermoedde dat zijn leven opeens een andere wending kon geven. Wie hem probeerde te groeten, kreeg geen reactie.

Later trof ik hem aan in een huisje bij het feestterrein. Hij zat met twee kleine meisjes televisie te kijken, een jeugdprogramma. Ze waren in diepe concentratie verzonken en keken niet op toen ik binnenkwam. Het jongste meisje had op zijn nek plaatsgenomen, haar beentjes bungelden over zijn schouders. Het deerde hem niet, hij vond alles goed, ook als ze zich soms uitrekte of achterover liet vallen.

Hij leek eindelijk in zijn element. De wereld van de uitslovers was buitengesloten. Hier voelde hij zich op zijn eigen terrein, met mensen, hoe jong ook, die hij kon vertrouwen en die geen eisen aan hem stelden.

Ik liep terug naar de feesttent en dacht aan mijn dochter en háár gedrag op dezelfde `lastige' leeftijd. Zij kon even onbereikbaar zijn voor al je vragen en zorgen. De mensen wilden veel van haar, en het was zelden iets goeds, vond ze.

Kwam dat nog wel goed, vroegen wij ons soms af.

Op de dansvloer kreeg ik een duwtje. Mijn dochter. ,,Dansen?'' vroeg ze, en toen deed ze iets wat ze vroeger altijd ,,te belachelijk voor woorden'' had gevonden: dansen met haar vader.

Alles komt goed.