Vluchtelingen hokken in voetbalstadion van Liberia

Monrovia is misschien wel de meest vervallen hoofdstad ter wereld. Resultaat van eerst zeven en daarna drie jaar burgeroorlog.

Het portret van Charles Taylor hangt nog in de aankomsthal van de luchthaven. Het is een statige foto in een nepgouden lijst en het enige voorwerp dat een beetje glans verleent aan de troosteloze hal. Het aftreden van Liberia's gevreesde president twaalf dagen geleden, gevolgd door het sluiten van een vredesakkoord afgelopen maandag, heeft een massale intocht van hulpverleners tot gevolg. In gloednieuwe Landcruisers scheuren ze door lieflijk groen palmenlandschap naar wat misschien wel de meest vervallen hoofdstad ter wereld is: Monrovia. Niet alleen de afgelopen twee maanden het toneel van krankzinnig chaotische gevechten tussen rebellen en regering, ook al in 1990, 1992 en 1996.

Monrovia is geen spookstad. Het is drukker dan ooit. Eenderde van de 3,2 miljoen Liberianen zocht er zijn toevlucht sinds rebellenbeweging LURD ruim twee maanden geleden haar laatste offensief begon. In het centrum, tegen een decor van dichtgelaste winkeldeuren en gesloten ministeries, wemelt het van de kleine handelaars die geplunderde koopwaar uitventen. Pakken spaghetti zo uit de kartonnen doos, blikjes tomatensaus, maïsmeel in plastic zakjes, een kruiwagen met zeep. Er zijn meer bieders dan klanten. Ruim een miljoen mensen maar geld ontbreekt. Eigenlijk ontbreekt het aan alles. Ooit had Monrovia elektriciteit en stromend water. Tegenwoordig hangen de elektriciteitskabels over de grond. Water komt uit het koude, grijze wolkendek vallen. Het vuilnis blijft liggen.

Alleen het telecommunicatiebedrijf beleeft gouden tijden. Het mobiele netwerk bleef ook tijdens de gevechten steeds in de lucht. Een telefoonkaart kost 65 dollar, iets minder dan het jaarinkomen van de gemiddelde Liberiaan, die rondkomt van wat familieleden in het buitenland opsturen.

De grootste concentratie mensen zit opeengepakt in het nationale voetbalstadion, genoemd naar de in 1990 vermoorde president Samuel K. Doe. Daar hokken bijna 60.000 mannen, vrouwen en kinderen samen. De meesten kwamen in juli, toen de gevechten in alle hevigheid losbarstten. Ze slapen op de betonnen balkons achter de tribunes, in halfduistere gangen en kleedruimtes en zelfs in het voormalige spelershotel. Het krioelt van de kinderen. Geen vierkante centimeter is onbenut. Sommige gezinnen hebben hun zitplek afgepaald met stenen.

Dankzij hulporganisaties is een humanitaire ramp voorkomen, zegt coördinator Zolu Seh. De ene organisatie verstrekt medische zorg, de andere heeft latrines gegraven, een derde installeerde een waterpomp. Eten komt van een VN-organisatie voor voedselnoodhulp, maar volgens Seh is het bij lange na niet voldoende. ,,Kijk om je heen'', zegt hij, ,,overdag wordt niet gekookt. De meeste vrouwen steken hun houtskoolvuurtjes pas tegen vijf uur 's middags aan. Men eet één maaltijd per dag.''

De veerkracht van de bevolking lijkt onaangetast. Vlakbij de rivier, niet ver van een van de twee bruggen, wijst Kandalla Range lachend naar de scheurkalender aan de muur van zijn apotheek. De datum is blijven steken op zaterdag 19 juli. Die ochtend kwam er ineens een mortiergranaat uit de lucht vallen. ,,Ik was gelukkig net even een boodschap doen.''

Vandaag ging de apotheek voor het eerst weer open. Door de komst van de West-Afrikaanse vredestroepen in de afgelopen weken kan het leven voorzichtig worden hervat. Range heeft zelfs al twee klanten gehad: een meisje met een vaginale infectie en een jongen die oogdruppels nodig had. Dat stemt hem optimistisch. ,,Liberianen zijn in wezen niet echt gewelddadig. Zelfs al behandel je ze slecht, ze zijn het zo weer vergeten.''

    • Pauline Bax