Vliegen doet leven

Vlinders die weinig selectief zijn in hun biotoopkeus en die een goed vliegvermogen hebben, profiteren van een warmer klimaat. Bijna alle andere soorten moeten het doen met een kleiner verspreidingsgebied.

Niet alle vlinders profiteren van de recente opwarming van ons klimaat. Een grootschalig Brits vlinderonderzoek laat zien dat alleen goede vliegers en `generalisten', 20 procent van de vlindersoorten, in staat zijn de noordelijke verspreidingsgrens sterk op te schuiven. Driekwart van de soorten gaat nog steeds achteruit, vooral de soorten die voor voedsel en eierenleggen van een of een paar plantensoorten afhankelijk zijn. Het onderzoek werd gedaan door de Britse vlinderautoriteiten Jane K. Hill en Richard Fox van de Universiteit van York. (Biologist juli).

Vooral de rupsen hebben bij hogere temperaturen in principe grotere overlevingskansen. Ze kunnen eerder in het seizoen actief worden en krijgen daardoor meer dagen de kans hun cyclus als vlinder vol te maken. Een geringe temperatuurverhoging, zoals de halve graad stijging in de afgelopen eeuw, heeft voor vlinders grote gevolgen. Nog nooit in de afgelopen twee eeuwen, zo blijkt, heeft een aantal vlindersoorten zo'n sterke noordwaartse verspreiding gehad als in de periode vanaf 1970. Twintig procent van de Britse soorten heeft het verspreidingsgebied met gemiddeld 73 kilometer verschoven met uitschieters tot boven de 200 kilometer.

De spectaculairste verschuiving laat Polygonia c-album zien, de Gehakkelde aurelia. De soort kwam tot in de jaren zeventig uitsluitend in Zuidwest-Engeland en Wales voor en heeft zich inmiddels vlakbij Edinburgh gevestigd, een verschuiving van 220 kilometer. Andere sterk uitbreidende soorten zijn de Kleine ijsvogelvlinder (Limenitis camilla), Oranjetip (Anthocharis cardamines) en het Bont zandoogje (Pararge aegeria). Laatstgenoemde heeft delen van Schotland geherkoloniseerd waar hij rond 1850 ook voorkwam. Toen het rond 1900 kouder werd, verdween de soort daar.

Sommige soorten, zoals Aricia agestis, het Bruin blauwtje, passen zich dankzij de warmte aan andere omstandigheden aan. De vlinder heeft zijn verspreidingsgebied verdubbeld en komt steeds vaker buiten zijn oorspronkelijke leefgebied voor, kalkrijke zuidhellingen van heuvels. Ook gebruikt hij meer plantensoorten als gastheer die op minder kalkrijke bodems groeien. De soort wordt minder specialistisch.

Hill en Fox wilden achterhalen waarom sommige soorten in staat zijn om van klimaatverandering te profiteren, terwijl andere hun verspreidingsgebied niet uitbreiden of zelfs achteruitgaan. Hierbij konden ze putten uit 's werelds grootste vlinderdatabase. Al sinds het begin van de negentiende eeuw registreren Britse vlinderverzamelaars door het hele land waarnemingen, en de oudste `records' gaan terug tot in de zestiende eeuw.

Soorten die van de opwarming profiteren blijken vooral vlinders die weinig selectief zijn in hun biotoopkeuze en de waardplanten waarop de rupsen kunnen leven en een goed vliegvermogen hebben, zoals de Gehakkelde aurelia. De minder mobiele en specialistische vlinders (aangepast op één of enkele waardplanten) hebben ondanks de opwarming, bijna allemaal een veel kleiner verspreidingsgebied gekregen, 22 van de 24 zijn achteruitgegaan. Uitschieter is de Adippevlinder, die sinds 1970 met 77 procent in verspreiding afnam.

Hill en Fox wijten dit aan habitatverlies. Sinds de jaren veertig is, afhankelijk van de soort vlinder, het leefgebied afgenomen met 40 tot 97 procent. Er is steeds minder geschikte biotoop in de buurt, en alleen soorten die lange afstanden kunnen overbruggen weten nieuw leefgebied te bereiken. Wanneer in het noorden nieuwe biotoop ontstaat door opwarming is het tussenliggende `vlinderonvriendelijke' gebied voor slechte vliegers moeilijk te overbruggen.

Chris van Swaay, die namens de Vlinderstichting in Wageningen onderzoek doet aan klimaatverandering en vlinders ziet dezelfde trends in Nederland. ``Bij een aantal soorten zoals de Gehakkelde aurelia is het opvallend'', zegt hij. ``Die kwam tot in de jaren tachtig alleen in Brabant voor, maar zit nu al tot aan Den Helder. Bij sommige soorten die in Engeland uitbreiden, zoals de Oranjetip zie je in Nederland geen verschuiving, omdat ze al in het hele land voorkwamen. Hun noordgrens lag al boven de Waddeneilanden.''

De andere zijde van de medaille is overigens dat noordelijke soorten door de opwarming worden verdreven. ``In Nederland zie je dat niet alleen bij het Veenhooibeestje, maar ook bij het Veenbesblauwtje en de Veenbesparelmoervlinder'', zegt Van Swaay. ``Die leven hier in vennetjes waar het normaal gesproken ook 's zomers koel en vochtig blijft. Hier sterven ze bijna uit en binnenkort leven ze alleen nog in Scandinavië. Natuurlijk spelen ook andere factoren een rol, zoals versnippering van het leefgebied, maar bij deze soort weten we toch vrij zeker dat opwarming de hoofdfactor is.''

Chis van Swaay ziet dat ook in Nederland maar een beperkt aantal soorten baat heeft bij de opwarming . ``Alleen soorten die op veel voorkomende planten leven profiteren, zoals de Gehakkelde aurelia die de brandnetel als waardplant heeft. En vlinders als de Koninginnepage, die kan tot honderd kilometer ver vliegen om geschikt leefgebied te vinden. Tot 1940 was dat op een paar plekken na heel Nederland. Nu is dat precies andersom. Nederland is sneller veranderd dan opwarming voor kwetsbare soorten ooit kan compenseren.''