NA EEN HARTAANVAL IS DOTTEREN BETER DAN STOLSEL OPLOSSEN

Wie na een hartaanval nog in leven is als de ambulance arriveert, kan die auto het best naar een hospitaal dirigeren waar een snelle dotterbehandeling mogelijk is. Dotteren geeft een betere overlevingskans dan een behandeling met een stolseloplossende medicijn, zelfs als de ambulance daar verder voor moet rijden. Zolang de extra reistijd onder de twee uur blijft is dotteren beter, blijkt uit Deens onderzoek (The New England Journal of Medicine, 21 aug).

Na een hartaanval geldt: tijd is spier. Een hartaanval ontstaat als een aftakking van de kransslagader die het hart van zuurstofrijk bloed voorziet verstopt raakt door een bloedstolsel. Een hart met zo'n afgesloten vat gaat vaak fibrilleren (onsamenhangend samentrekken) waardoor de bloedcirculatie wegvalt en de patiënt sterft. Is er op tijd hulp met reanimatie en defibrillatie, dan moet het stolsel er nog uit. Hoe langer dat vat afgesloten blijft, hoe meer hartspier er stroomafwaarts van de prop sterft. Bij een dotterbehandeling duwt de cardioloog de prop weg door op de plaats van de verstopping een met een katheter in het bloedvat gebracht ballonetje op te blazen. Bij fibrinolyse (ook: trombolyse) doet een stolseloplossend medicijn het werk.

De vraag of een spoeddotter beter is dan fibrinolyse na een hartaanval (de veelvoorkomende variant met een verhoogd ST-segment op het ECG) is een brandende kwestie in de cardiologie. Kleine verschillen zijn van belang, want het gaat jaarlijks om duizenden patiënten.

Als een van de eersten toonde cardioloog Felix Zijlstra uit het ziekenhuis de Weezenlanden in Zwolle aan dat dotteren gunstiger uitpakt (The New England Journal of Medicine, 11 maart 1993). Maar die patiënten hadden een gelijktijdige start. De vraag bleef hoe de uitslag zou zijn als de reistijd naar een dottercentrum gemiddeld langer was dan de rit naar een fibrinolyseziekenhuis. Dat is in Nederland het geval. In Nederland hebben 14 ziekenhuizen een vergunning om te dotteren, terwijl alle ziekenhuizen een fibrinolysebehandeling kunnen geven. In Denemarken is het net zo. Dus de Deense studie lijkt op Nederland van toepassing.

Maar toch weer niet helemaal. In het Deense onderzoek kreeg maar 2% van de gefibrinolyseerde patiënten een rescue dotter als het geneesmiddel het bloedvat niet open kreeg. In Nederland gaan veel meer (ongeveer 25%) patiënten alsnog met spoed in de ambulance naar een dottercentrum als het medicijn het vat niet open krijgt. Dat scheelt allicht. Er is nog een verschil: in een aantal Nederlandse steden en streken geeft het ambulancepersoneel de stolseloplossende medicijnen al ín de ambulance. Dat heet prehospitaalfibrinolyse. Franse onderzoekers vergeleken die snelle fibrinolyse in de ambulance met een dotterbehandeling (The Lancet, 14 sept. 2002). Daaruit rolde dat prehospitaalfibrinolyse minstens net zo goed is als dotteren. Omdat ieder land zijn eigen traditie heeft ontwikkeld, voordat onderzoek uitwees wat beter was, is nu in Nederland ook een vergelijkend onderzoek naar fibrinolyse en dotteren opgezet. Tot de uitslag daarvan bekend is, zullen er lokale verschillen in behandeling bestaan.