Kubisme vermengd met Hollandse stemmigheid

Wat moet dat een heerlijke tijd voor kunstenaars zijn geweest, zo aan het begin van de twintigste eeuw, nog vóór de Eerste Wereldoorlog. Geen sofinummers, BTW, voetoverheveling of kans op onverwachte voor- en naheffingen. Geen vestigingsvergunningen, huurwaardeforfait of toeristenbelasting. Met een klein beetje geld was het mogelijk om maandenlang de bohémien uit te hangen en echt vrij te zijn.

Toen beginnend schilder Piet Wiegman in 1912 van twee kunstenaarsvrienden die in hem en zijn talent geloofden een tijdlang met vijf gulden in de week werd gesteund, kon hij zijn werkzaamheden als kopiist en allerlei andere baantjes afzeggen om zich geheel aan het schilderen te wijden. Hij kon voor dat geld materiaal kopen, een huisje huren in een streek die hem inspireerde en onbezorgd experimenteren.

Dankzij die vrienden, Gerrit van Blaaderen en Ed Gerdes uit Bergen, ontwikkelde Piet Wiegman zich al snel tot één van de belangrijkste Nederlandse expressionisten. Hij woonde en werkte langere tijd in Groet, bij Bergen, waar hij met zijn veel beroemdere broer Matthieu (die aan de Rijksacademie had gestudeerd) behoorde tot de kring van de Bergense School. Een paar jaar later kwam hij tijdelijk nog in een ander broeinest van expressionisten en modernisten terecht, rond De Wieger in Deurne, het huis van de legendarische arts en schilder Hendrik Wiegersma.

Op beide plekken nam Wiegman vooral het dagelijks leven van de autochtone bevolking tot onderwerp van zijn vaak indringende schilderijen. Net als zijn iets oudere tijdgenoot, Piet van Wijngaerdt, probeerde hij de essentie daarvan in enkele expressieve lijnen vast te leggen. Alleen gebruikte Wiegman (die tot in het begin van de jaren zestig actief was) iets meer kleur en ontwikkelde hij zich later ook meer in een decoratieve richting.

De dochter van de schilder, Doortje Haan-Wiegman, stelde dit jaar een mooie monografie samen over haar relatief onbekende vader, waarin alle verschillende aspecten van diens werk aan de orde komen: niet alleen zijn vrije, expressionistische schilderijen en zijn series houtsneden van onder meer arbeiders in de steenfabrieken, maar ook keramische voorwerpen, tegels en mooie karakteristieke poppenkastpoppen. In het Rotterdamse Chabot Museum is ter gelegenheid daarvan een klein overzicht van Wiegmans werk ingericht.

Het is zo'n presentatie die aanzienlijk simpeler is dan de aanleiding en dus wat tegenvalt. Ik had zo graag wat meer van zijn krachtige stillevens gezien waarin een vlammend rood vaak zo'n grote rol speelt. Of wat meer van die kubistische landschappen waarin Wiegman de vormen van Cézanne als het ware in een Hollandse stemmigheid dompelt. Maar gelukkig hangt Katrien er wel, het meisje met de rechtgeknipte haren en de wijze blik, dat haar grote handen werkloos langs haar lichaam naar beneden laat hangen. Hoekig geschilderd in grijs-, beige- en bruintinten verdwijnt ze met haar lichte schort bijna in de achtergrond, waardoor haar indringende blik nog sterker opvalt.

Een van de hoogtepunten is ook De doodgraver van Thorn (ca. 1925). Met zijn platte petje staat de hoofdpersoon midden op het kerkhof in een klassieke `stand- und spielbein'-houding op zijn spade geleund. Hij lijkt zelf wel een van de crucifixen die achter en naast hem staan, schots en scheef. Ongetwijfeld bedoelde Wiegman hier meer mee dan alleen een verwijzing naar de dood. Het zegt ook iets over zijn gecompliceerde verhouding tot het katholicisme. Tegelijkertijd lijkt de doodgraver, een bekende figuur in Thorn met als bijnaam `de wandluis', ook op Piets latere Jan Klaassenpoppen. Ze hebben dezelfde geconcentreerde expressie. Zo zie je maar dat olieverf niet het enige medium hoeft te zijn voor een modernist.

Tentoonstelling: Piet Wiegman (1885-1963), schilder van de Bergense school, graficus – ceramist – poppensnijder. T/m 26 okt in het Chabot Museum, Museumpark 11, Rotterdam. Di t/m vr 11-16u30, za 11-17u, zo 12-17u. Cat. €59,95. Inl: 010-4363713 of www.chabotmuseum.nl.