Idols brengt hoop voor Arabieren

De uitslag van de pan-Arabische versie van Idols (52 tegen 48 procent) maakte duidelijk dat gewone Arabieren niet altijd gewillig meedoen aan politieke schertsverkiezingen, betoogt Rami G. Khouri.

Twee heel verschillende voorvallen typeerden afgelopen maandag het beste en het slechtste van de moderne Arabische wereld. Het ene was de overwinning van de Jordaanse zangeres Diana Karzon in Superstar, de pan-Arabische versie van Idols die de afgelopen maanden wekelijks is uitgezonden op de Libanese satellietzender Future Television. Bijna vijf miljoen mensen uit de Arabische wereld hebben in de eindstrijd tussen Karzon en de Syrische zangeres Ruweida Atieh hun stem uitgebracht – via het internet, per fax en sms.

Twee aspecten van deze gebeurtenis zijn opmerkelijk: de mobilisering van miljoenen Arabieren over tal van grenzen heen, en de marge van de overwinning. Het was fascinerend om te zien hoe de macht van de techniek – in dit geval satelliettelevisie, internet en mobiele telefoons – overal in dit gebied gevoelens kan aanboren en mensen kan aanzetten tot actie, ook al gaat het om een eenvoudige daad als het stemmen op je favoriete zangeres. Zelden in de jongste geschiedenis – misschien wel niet sinds de vurige radiotoespraken van Gamal Abdel Nasser in de jaren '50 en '60 voor de `Stem van de Arabieren' – hebben zoveel mensen uit de Arabische wereld collectief emotioneel gereageerd en doelgericht gehandeld.

Het gevolg was nog belangrijker: Karzon won met 52 procent, tegen 48 procent voor Atieh. Dit is in het kader van de huidige Arabische wereld opvallend ongewoon. Ik kan me in mijn gelukkige Arabische volwassen leven geen nationale verkiezing herinneren die resulteerde in een overwinning van 52 tegen 48 procent. De meeste `verkiezingen' of `referenda' die in onze wereld plaatsvinden resulteren doorgaans in fantastische vooraf bepaalde overwinningen van de gevestigde orde, die vaak ruim 90 procent van de uitgebrachte stemmen krijgt. Bij nog belachelijker `referenda' ligt de overwinning meestal boven de 97 procent.

Een uitkomst van 52-48 is dan ook – ook al gaat het maar om een zangwedstrijd – een verademing. Dit biedt een glimp van iets normaals aan Arabieren die verlangend hebben uitgezien naar zo'n duidelijk contrast met de beledigende en vernederende erfenis van politieke verkiezingen die steevast resulteerden in overwinningen van meer dan 90 procent, vaak in opeenvolgende `verkiezingen' om de vier of vijf jaar, door dezelfde gevestigde orde. Dank u, Future TV, voor deze vermakelijke bevestiging dat ook wij normaal zijn, en voor de kans dat gewone Arabieren mochten laten zien dat ze niet altijd gewillig meedoen aan de politieke schertsvertoning waar de `officiële verkiezingen' voor president en andere vormen van een Grote Leider op neerkomen.

Het tweede voorval dat deze week mijn aandacht trok was de aanvaarding door de Libische regering van de verantwoordelijkheid voor de bomaanslag in 1988 op een Pan Am-vlucht boven het Schotse Lockerbie, en de toezegging de nabestaanden van de slachtoffers in totaal 2,7 miljard dollar te betalen. Al eerder had Libië een schikking getroffen met de slachtoffers van een Frans lijnvliegtuig dat het had neergehaald boven Niger.

De bereidheid van Libië zijn misdaden te bekennen en er financieel voor te boeten zou niet zomaar voorbij mogen gaan als de zoveelste wonderlijke aflevering in de verwrongen geschiedenis van de moderne Arabische politieke waarden. Wat de Libische regering heeft begaan is een drievoudige misdaad: ten eerste de misdaad om terreur te gebruiken tegen onschuldige burgers; ten tweede de misdaad om het Libische volk te laten lijden onder de gevolgen van de internationale sancties tegen zijn land; ten derde de verbijsterende verspilling van Libische nationale middelen die zo heeft plaatsgevonden.

De nabestaanden van de slachtoffers van de Libische terreur behoren een vergoeding te krijgen; maar vergoedt het Libische volk de tientallen jaren wanbeheer door zijn regering? Libië zou een welvarend, ontwikkeld land moeten zijn, maar het is nog altijd een economisch zootje. Het heeft een kleine bevolking van maar iets meer dan 5 miljoen mensen en een enorm olie-inkomen; toch ligt het bruto binnenlands product per hoofd nog altijd maar íets boven de 6.000 dollar. Nog schrikbarender is dat in de hoogtij-jaren van de olie tussen 1960 in 1990 de gemiddelde jaarlijkse stijging van het bruto nationaal inkomen maar 0,2 procent bedroeg.

Als de Libische regering terreur kan bedrijven, daar jarenlang over kan liegen, haar volk kan onderwerpen aan vreselijke levensomstandigheden en ook nog eens het nationale inkomen kan verspillen door naderhand voor die terreurdaden te betalen – en dat allemaal zonder enige verantwoordingsplicht of gevolgen voor de gevestigde orde – dan is de Arabische wereld er nog veel erger aan toe dan zelfs haar ergste pessimisten veronderstellen. De ultieme misdaad zou zijn dat de Libische regering deze kwestie afhandelt, betaalt, en gewoon weer doorgaat alsof er niets gebeurd is.

Als de Libische leiding werkelijk berouw wil tonen voor haar wandaden uit het verleden en haar misdaden tegen onschuldige burgers in het buitenland en haar volk in eigen land, zou ze daar de kans toe moeten krijgen, maar ze zou wel ernstig moeten nadenken over ingrijpender daden dan de betaling van geld. Een van de mogelijkheden die ik zou aanbevelen is dat de Libische leiding eens overweegt om collectief af te treden en met pensioen te gaan. Ze zou een historisch en heroïsch voorbeeld kunnen stellen voor andere Arabische en Afrikaanse leiders die evenzeer in hun verantwoordelijkheden tekortschieten als zijzelf in gebreke is gebleven.

Legitieme vervanging is zo gevonden. Libië zou Future TV een verkiezing voor een nieuwe leiding kunnen laten houden.

Rami G. Khouri is hoofdredacteur van The Daily Star in Beirut.

© The Daily Star