Het riool, de stad en de fabriek

In de twintigste eeuw kwam veel nieuw ontwikkelde kennis uit het buitenland, zo blijkt uit het zesde deel van de serie Techniek in Nederland. En telkens weer is er die nauwe verstrengeling van techniek en sociale organisatie.

Met het verschijnen van het zesde deel nadert de ambitieuze serie Techniek in Nederland in de twintigste eeuw haar voltooiing. Dit deel bevat de laatste gevalsstudies. In het later dit jaar te verschijnen slotdeel wordt de balans opgemaakt.

In de tot dusverre verschenen delen komen telkens enkele bedrijfstakken aan bod. In dit deel zes zijn dat de bouw en wat de auteurs de `maakindustrie' noemen: fabrieken waar dingen worden gemaakt – dit in tegenstelling tot de procesindustrie, die in eerdere delen werd behandeld. Een wat vreemde eend in de bijt is de eerste sectie, die gaat over de stad. Dat is immers geen bedrijfstak, en ook geen toepassingsgebied van een bepaald soort techniek.

Toch past het verhaal over de stad bij uitstek in de aanpak van deze serie. Dat komt vooral door een scherpe en consequent volgehouden invalshoek. Kort gezegd: bevolkingsgroei en trek van het platteland naar de stad zorgden in de tweede helft van de negentiende eeuw in de eerste plaats voor vergroting van de bevolkingsdichtheid in de grote steden. Dit leidde tot tal van problemen op hygiënisch terrein, met de aanleg van riolering en waterleiding als deel van de oplossing. Een ander deel van de oplossing was extensivering, die er met een verdere groei van het inwonertal toe leidde dat steden ruimtelijk uitdijden. Technische uitdagingen lagen met name in het vervoer en in grootschalige woningbouw en de bijbehorende stedelijke planning.

Veel techniek die essentieel is voor de stad heeft direct met deze twee ruimtelijke aspecten – concentratie en uitgestrektheid – te maken. En telkens blijkt hoe nauw techniek en sociale organisatie verstrengeld zijn. Organisatie en techniek kwamen samen in nieuwe gemeentelijke diensten als de reinigingsdienst en openbare werken. Maar hoe het samenspel tussen politiek, bureaucratie, burgerij en ingenieurs verliep, verschilde van plaats tot plaats. In Rotterdam werd bijvoorbeeld eerst riolering aangelegd en pas daarna, gestimuleerd door de aanwezigheid van het riool, de waterleiding. In Tilburg was de volgorde precies omgekeerd.

Het voorbeeld van Tilburg laat ook zien dat steeds grotere gebieden met elkaar verknoopt raakten, wat de noodzaak van het afstemmen van beleid dwingender maakte. Door de aanleg van een rioolstelsel slaagde de gemeente Tilburg erin de fecaliën uit de stad keurig af te voeren en een belangrijk hygiënisch probleem op te lossen. Wat er daarna met het spul gebeurde kon de gemeente weinig schelen. Men loosde op het riviertje de Leij, tot woede van buurgemeente Oisterwijk, die de stront letterlijk voor de kiezen kreeg. Vele rechtszaken volgden. Tilburg werd al in 1915 door de rechter veroordeeld: zuiveren of schadevergoeding betalen. Tilburg betaalde en bleef lozen. Dat duurde, vele veroordelingen verder, tot ruim in de jaren vijftig.

Riool en waterleiding zaten elkaar letterlijk in de weg op de Vecht. Vanouds vormde deze rivier een belangrijke bron van drinkwater voor Amsterdam. Weliswaar werd er uit Utrecht altijd al geloosd op de Vecht, maar dit ging nooit om grote hoeveelheden, zodat het water schoon genoeg bleef om in Amsterdam als drinkwater te fungeren. Dat veranderde toen Utrecht zijn centrale rioolinstallatie op de Vecht liet lozen. Amsterdam zag zich genoodzaakt zijn drinkwater van elders te betrekken. Zulke afhankelijkheden stimuleerden enerzijds technische vernieuwingen, bijvoorbeeld in de vorm van rioolzuiveringsinstallaties, en anderzijds organisatorische maatregelen als wetgeving ter bestrijding van waterverontreiniging.

Niet altijd wordt de samenhang zo verhelderd. In een handboek voor wegenbouw uit 1920 wordt houten bestrating aangeraden voor drukke stadsstraten. Hout was duurzaam, stil en had, in tegenstelling tot klinkers, lage weerstand en lage onderhoudskosten. Het werd op tal van plaatsen toegepast, vooral in de buurt van ziekenhuizen en andere openbare gebouwen, waarbij de geluidsproductie een belangrijk motief was. Houten straten zie je nooit meer, dus je zou willen weten waarom die zijn verdwenen. `Houtbestrating zou langzamerhand verdwijnen uit het straatbeeld, evenals de klinkers en de keien', heet het even verder. Maar waarom het materiaal met die prachtige eigenschappen het onderspit dolf, blijft ongewis.

Dit is een voorbeeld waar de in techniekgeschiedenis geïnteresseerde lezer in de kou blijft staan. In de tweede sectie, over de bouw, komt dit nog vaker voor. Het op zichzelf interessante verhaal over de geschiedenis van de volkshuisvesting, met een zware nadruk op Amsterdam en enkele andere grote steden, is vooral institutioneel. Het gaat over de verhoudingen tussen gemeenten, woningbouwverenigingen en bijvoorbeeld de zogeheten vrouwenadviescommissies (VAC's) die in tal van plaatsen actief waren om gemeenten en woningbouwverenigingen te adviseren over met name de indeling van woningen. Daar zijn al polderend heel wat conflicten over uitgevochten.

Hilarisch is bijvoorbeeld hoe de Amsterdamse VAC die – hoe Hollands – bestond uit vertegenwoordigers van katholieke, protestantse en neutrale vrouwenorganisaties, een door de Vereniging van Vrouwen met een Academische Opleiding (VVAO) voorgedragen lid met een bouwkundige achtergrond weigerde: ``De ervaring heeft geleerd dat een huisvrouw, die tevens deskundig is op het gebied van de bouw, zich onmogelijk kan beperken tot het geven van advies uit huisvrouwelijk standpunt alleen; haar bekendheid met de techniek van het bouwen sluit de mogelijkheid tot het geven van een zuiver consumentenoordeel uit.' Deskundigheid niet gewenst. Ondanks aandringen van de VVAO kwam ze er niet in. Leuk om te lezen, maar zelden wordt duidelijk welke rol technische aspecten speelden in zulke kwesties. De VAC's maakten bijvoorbeeld vaak kritische kanttekeningen bij de plattegronden van woningen. Maar waar die dan precies over gingen blijft onuitgewerkt. Of er technische kwesties aan ten grondslag lagen, of tot technische veranderingen leidden eveneens.

De laatste sectie van dit deel, over de `maakindustrie', behoort tot de beste van de hele serie. Aan de hand van drie zogeheten industriële complexen – de grafische industrie, de scheepsbouw en Philips – wordt tamelijk systematische gezocht naar samenhang tussen technische ontwikkeling en factoren als bedrijfsgrootte, seriegrootte en aard van producten, en type en locatie van afnemers.

De auteur laat aan de hand van concrete voorbeelden zien hoe bijvoorbeeld in de scheepsbouw toepassing van staal en ijzer lang naast elkaar bestond, evenals stoom- en dieselaandrijving. Er is niet alleen volop aandacht voor het technische detail, maar ook voor generalisaties en theoretische noties. Grote productievolumes rechtvaardigen eerder investeringen in kapitaalintensieve innovaties. Klinkt als een open deur, maar het zijn juist dit soort samenvattingen die deze sectie uittillen boven een verzameling gevalsstudies.

De gehanteerde complexbenadering laat tevens de beperkingen zien van zulke generalisaties: ze werken niet in elke sector op dezelfde manier. De organisatie van de bedrijfskolom en de verhoudingen tussen werkgevers en werknemers hebben grote invloed op het innovatieproces. De hoge organisatiegraad in de grafische sector leidde niet alleen tot stringente afspraken om de arbeidsmarkt te reguleren, maar ook over de toepassing van allerlei technieken.

Net als in de negentiende eeuw kwam veel nieuw ontwikkelde kennis uit het buitenland. Maar aan het aanpassen van buitenlandse kennis of machines aan de lokale situatie ontleenden Nederlandse bedrijven nieuwe kennis, die kon leiden tot eigen ontwerpen of oplossingen. Nederland is niet sterk in uitvinden, wel in integreren. Het slot van deze sectie biedt met dit soort conclusies een voorproefje van het komende laatste deel, waarin de ontwikkeling van techniek in Nederland in de twintigste eeuw zal worden geëvalueerd. Dat is geen gemakkelijke opgave, gezien het wisselende karakter van de deelstudies.

J.W. Schot e.a. (red.): Techniek in Nederland in de twintigste eeuw. Deel VI. Stad. Bouw. Industriële productie. Walburg Pers.

ISBN 90-5730-069-9. Prijs 39,95 euro.

Gerectificeerd:

Vredesbetoging

Bij het stuk van Dick van Eijk `Het riool, de stad en de fabriek' (W&O, 23 augustus) was een foto afgedrukt van een aantal dames onder een spandoek met de tekst `Stilte'. Het begin van het bijschrift, overgenomen uit het besproken boek, `Techniek in Nederland', luidde: `Antilawaaibetoging in Den Haag, 1937.'

Afgebeeld werd echter een Stille Rondgang, een zwijgende vrouwenvredesdemonstratie, die op 18 mei 1934 in Den Haag werd gehouden. De demonstratie werd georganiseerd door de politiek neutrale Algemene Nederlandse Vrouwen Vredebond. De stoet vertrok van het Malieveld na een minuuut stilte en het hijsen van een vlag met opschrift `Vrede'. Behalve `Stilte' droegen de spandoeken onder andere de teksten `Wij vrouwen, wij willen den Wereldvrede' en `Eerbied voor het leven'. Na deze eerste keer in 1934 werd tot en met 1939 op 18 mei (Volkenbondsdag) zo'n demonstratie gehouden, steeds in een andere stad.

Met dank aan Marijke Mossink uit Amsterdam en John Helsloot uit Haarlem, die de redactie van W&O op de vingers tikten.

    • Dick van Eijk