Het meten van welzijn

We hebben het over ratten, laboratoriumratten. We hebben het over de wistar (helemaal wit) en de long-evans (zwarte kop). Wistars zijn nogal braveriken. Als je een wistar een gevecht met een long-evans aanbiedt, verliest hij. Als je hem vijf van deze gevechten achter elkaar aanbiedt, raakt hij in een depressie.

Nu zit je met een ernstig gestresste rat, en in dit geval was dat de bedoeling ook. In de dagelijkse praktijk van het laboratorium is stress een ongewild of zelfs ongewenst neveneffect van het onderzoek. Hij wordt opgepakt, uit zijn kooi gehaald en in een vreemde ruimte gebracht – het dier is al van slag voordat de proef goed en wel begonnen is.

De meeste ratten worden gebruikt voor onderzoek inzake de ontwikkeling, productie, controle of ijking van vaccins of geneesmiddelen. Ook bij ander onderzoek is er altijd wel een relatie met ónze gezondheid. Het is geen prettige gedachte dat de resultaten worden verkregen van dieren die in stress verkeren.

Je zit dus met een gedeprimeerde rat en je wilt weten hoe hij zich herstelt, hoe je hem zijn hopeloze optreden in de worsteltent kunt laten vergeten. Gezelschap helpt, dat is bewezen. Voor een rat gaat er niets boven sociaal contact met andere ratten, andere wistars. Maar stel dat het dier alleen moet blijven. Helpt het dan als je hem in een verrijkte kooi zet?

Dierproeven om het leven van proefdieren te verbeteren. Dit soort dingen doet Johanneke van der Harst. Zij is verbonden aan de hoofdafdeling Dier & Maatschappij van de faculteit Diergeneeskunde in Utrecht. Ze promoveert in oktober op een onderzoek naar methodes om het welzijn van ratten te meten en te verbeteren.

Tekenen van chronische stress zijn duidelijk: het dier produceert bepaalde hormonen, krijgt beschadigingen aan maag- en darmwand, ontwikkelt afwijkend gedrag (van stereotypieën tot zelfverminking) en vertoont een verminderd voortplantingsvermogen – het dier bevindt zich op de bodem van zijn bestaansmogelijkheden.

Bij het ontbreken van deze tekenen ben je nog maar halverwege. Een dier dat niet ongelukkig is, hoeft nog niet gelukkig te zijn. Bij de voormalige kistkalveren, die er met groepshuisvesting ontegenzeggelijk enorm op vooruit zijn gegaan, proef je nu een sfeer van intense verveling, wezenloos afwachten. Vandaar die vraag bij Dier & Maatschappij: hoe maak je welzijn meetbaar?

Johanneke van der Harst heeft ratten getraind in beloningsproeven. Ze hebben geleerd dat ze na een signaal iets lekkers mogen verwachten. Het signaal: een belletje, het lekkers: suikerwater. Als ze dat eenmaal weten, kun je het tijdsbestek tussen signaal en beloning oprekken. Tien minuten bijvoorbeeld, minuten waarin de dieren zich verheugen op wat er te gebeuren staat, minuten waarin de onderzoeker de mate van hun opwinding kan registreren in een eenvoudig ethogram.

Wat te verwachten was: hoe groter de stress, hoe groter de behoefte aan beloning. Deze curve loopt op – tot hij plotseling afbreekt. Dan heb je een dier dat zich domweg niet meer kan verheugen op wat er te gebeuren staat. Bij mensen met een diepe depressie zie je dat ook, totale apathie.

Maar je kunt ook met de aard van de beloning gaan experimenteren om uit te vinden wat ratten nou eigenlijk het leukst vinden. Dan blijkt de aankondiging van een verblijf in een verrijkte kooi nog veel opwindender te zijn dan de aankondiging van suikerwater. Voor ratten is een verrijkte kooi ongeveer even aantrekkelijk als seksueel verkeer.

En varkens vinden het heerlijk om een kwartiertje op en neer te rennen op de gang, en koeien kennen geen grotere beloning dan weidegang.

Werken met ratten, zegt Johanneke van der Harst, is een dagelijks genoegen. Ze heeft dieren die onbeschadigd uit haar proeven kwamen, regelmatig mee naar huis genomen om ze een aangename oude dag te bezorgen.

Intelligent, levenslustig, alert. Als je hun verblijf betreedt, komen ze allemaal naar voren in hun kooi. Ze gaan rechtop staan en kijken en snuffelen, ze proberen zich een beeld van je te vormen.

Standaard zitten ze in plastic bakken met wat zaagsel en die bakken staan op rekken, ongeveer zoals in de ijzerwarenhandel de boutjes en moertjes worden opgeslagen.

Je hoeft ze maar met z'n tweeën of drieën bij elkaar te zetten, dan gaat hun welzijn er al aanzienlijk op vooruit. Dan nog een tussenwandje in de bak, zodat ze zich kunnen verbergen, en een verhoogde deksel op de bak, zodat ze zich kunnen oprichten, en je hebt al een verrijkte kooi.

In Nederland is dat trouwens inmiddels verplicht: sociale proefdieren moeten sociaal worden gehuisvest en hun kooien moeten worden verrijkt – tenzij dat apert in strijd is met de opzet van het onderzoek.

Johanneke: ,,En je moet oppassen dat een kooi niet te zwaar wordt, want dan krijg je problemen met de Arbo-wet.''

Zelf werkt ze nu ook met het rattenhotel, een kooi voor een stuk of tien dieren samen, vol met keldertjes en zoldertjes en trappetjes, een paradijs op aarde.

Haar onderzoek aan ratten is natuurlijk in de eerste plaats van belang voor ratten. Er worden er in ons land per jaar een kleine 200.000 als proefdier gebruikt. Maar het is ook van belang voor onze omgang met landbouwhuisdieren. Uitgangspunt: je kunt hun welzijn niet alleen toetsen door stress te veroorzaken, maar ook door beloning aan te bieden.

Een béétje stress kan overigens geen kwaad. In een totaal voorspelbare omgeving zal voor een dier ook bar weinig te beleven zijn. Het mag best eens ergens van schrikken. Negatieve prikkels hoeven niet te worden vermeden, als er maar voldoende positieve tegenover staan, als het dier zijn ervaringen maar met elkaar in balans kan brengen.

Je zou een heel bedrijf op beloningssystemen kunnen schoeien. Varkens bijvoorbeeld. In de natuur – het is een beetje een hachelijke zaak om in verband met deze dieren over de natuur te spreken, maar vooruit maar: in de natuur zijn ze de hele dag bezig met het zoeken van voedsel. Op stal doen ze een minuut of tien over hun slobber, en dat is het dan. Je zou hun plezier in het eten kunnen vergroten door het een halfuur van tevoren met een signaal aan te kondigen. Een deel van de beloning zit, zoals bij ratten is aangetoond, in de voorpret – jongens, daar komt wat!

En wat ook bij ratten is aangetoond: de zorg voor het welzijn van dieren dient al vroeg te beginnen. Ratten ontwikkelen hun spelvaardigheid tussen de vierde en zesde week. Hou je ze op die leeftijd geïsoleerd, dan zijn ze voor de rest van hun leven in het nadeel. Ze kunnen slecht met andere ratten omgaan en reageren flauwer op beloningsproeven. Je hoeft maar een skippybal in een hok met biggen te gooien om te zien welke wel en welke niet goed zijn gesocialiseerd. De eerste komen opgewonden knorrend kijken, de andere wijken angstig terug en blijven treurig in een hoekje staan.

Wil je gelukkige dieren, dan zul je ze allereerst in staat moeten stellen om gelukkig te wórden. Het kalf dat onmiddellijk na de geboorte bij de koe wordt weggehaald, zal zich vermoedelijk nooit een volwaardige koe kunnen voelen.

Of nóg vroeger: het staat wel vast dat de foetus in de baarmoeder al iets meekrijgt van de stress van het moederdier.