Hendrik Hamel in Korea

In 1653 strandde een groep Hollanders op de kust van Korea. Dertien jaar zaten ze in het land opgesloten. Het journaal dat Hendrik Hamel van dit avontuur maakte is nu in modern Nederlands hertaald.

Op 15 augustus 1653 leed het VOC-schip de Sperwer voor de kust van Korea schipbreuk. Op weg van Formosa (het huidige Taiwan) naar het Japanse Deshima (een eilandje in de Baai van Nagasaki), waar de VOC destijds als enige westerse handelsonderneming een factorij bezat, kwam het jacht in een vliegende storm terecht. Het schip raakte ontzet en maakte water, een huizenhoge golf sloeg een stuk van het achterschip weg, de uitbouw onder de boegspriet ging verloren en toen de bemanning in doodsnood land in zicht kreeg, zette men alles op alles om het gehavende schip aan de grond te zetten. Dat lukte, waarna zware golven de Sperwer in een mum van tijd aan spaanders beukten.

De volgende morgen zochten de overlevenden elkaar op. Het ging om 36 personen, de rest van de 64-koppige bemanning, onder wie de schipper, was omgekomen. Een deel van de lading, waaronder putjuk (een gomsoort), elandshuiden en hertenvellen uit Formosa, lag verspreid op de kust tussen wrakhout, kanonnen, instrumenten en flarden zeildoek. Opperstuurman Hendrik Jansz uit Amsterdam kreeg het bevel en hij was het ook die de geografische breedte opnam, 33° 32', en daaruit afleidde dat ze op Quelpaerts Eiland gestrand waren, de Nederlandse benaming van het Koreaanse eiland Cheju. Dat was een militair buitengewest waar door duizenden soldaten gewaakt werd tegen nieuwe Japanse invasies – van 1592 tot 1598 was dat land Korea meermalen binnengevallen en had er op vreselijke wijze huisgehouden. Het duurde dan ook niet lang of het halfverzopen hoopje Hollanders werd ingerekend. Waarmee een gedwongen verblijf in Korea begon dat dertien jaar zou duren en dat uiteindelijk zestien schipbreukelingen zouden overleven.

Tot degenen die het avontuur konden navertellen behoorde Hendrik Hamel, op het moment van de stranding 23 jaar oud en geboren in Gorinchem. Op de Sperwer was hij boekhouder en als zodanig belast met het bijhouden van de dossiers van alle opvarenden en de scheepsboekhouding. Eenmaal veilig aangekomen in Japan, in 1666, was het voor hem een verplichte klus aan de VOC-gouverneur in Batavia en de Heren Zeventien in Amsterdam te rapporteren wat de Hollanders in die dertien jaar ballingschap in Korea zoal was overkomen en een beschrijving van het land en zijn bevolking te geven. Zo kon de Compagnie nagaan of het gebied interessant zou kunnen zijn om er handel mee te drijven. Hamels Journael van de ongeluckige voyagie van 't jacht de Sperwer, nu een van de topstukken van het Nationaal Archief in Den Haag, was het eerste uitvoerige westerse geschrift over Korea – pas in de negentiende eeuw zouden er nieuwe ooggetuigenverslagen volgen.

Ter opluistering van het Hendrik Hameljaar 2003 wordt op 6 september in Leiden een symposium gehouden over het avontuur van Hamel en zijn makkers. In een viertal voordrachten zullen de historicus en VOC-kenner Leonard Blussé, de koreanoloog Boudewijn Walraven, de japanoloog Wim Boot en de neerlandica en specialist op het gebied van reisverhalen Vibeka Roeper de bredere context van het Journael belichten. Ook zal op die bijeenkomst De wereld van Hendrik Hamel: Nederland en Korea in de zeventiende eeuw worden gepresenteerd, een jubileumboek waaraan genoemd viertal bijdragen heeft geleverd. Dit ter inleiding op een hertaling in hedendaags Nederlands van de oorspronkelijke en volledige tekst van Hamels tot de verbeelding sprekende verslag.

Volgens Walraven, in Leiden hoogleraar taal en cultuur van Korea, geeft Hamel ``veel concrete en betrouwbare informatie, al is die gekleurd door zijn eigen interesses en vergelijkt hij telkens, impliciet en expliciet, met wat hem en zijn lezers bekend is'. Zo duidt hij boeddhistische monniken aan met `papen' en is de Han-rivier `de Maas bij Dordrecht'. In Koreaanse ooggetuigenverslagen zie je volgens Walraven hetzelfde verschijnsel. ``Die reppen van haren die bij sommige Hollanders over het voorhoofd vielen – voor Koreanen hoogst ongewoon – en van grote neuzen. Van de jongeren, zo zegt een bron, was de gelaatskleur wittig en van de ouderen gelig, iets waar de Nederlanders zich waarschijnlijk niet eens bewust van waren.'

Voetzolen

Hamels verslag bevat daarom details die je in Koreaanse bronnen niet aantreft. Walraven: ``Zo vertelt hij dat bij een gangbare bestraffing, het slaan met een stok op de voetzolen, de slachtoffers soms `de tenen van de voeten vielen'. En in Noord en Oost Tartaryen, een boek dat de Amsterdamse burgemeester-geleerde Nicolaas Witsen in 1692 publiceerde en waarvoor hij ook twee overlevenden van de Sperwer ondervroeg, staat fraai beschreven hoe tijdens een optocht met de Koreaanse koning de soldaten langs de route, de rug naar hun vorst gekeerd, angstvallig een houtje tussen de tanden geklemd houden om maar niet te kuchen. Overigens had Hamel Koreaans geleerd. Als hij in zijn journaal schrijft over wat er in het land te koop is, en waar zaken zich bevinden, is dat behalve op eigen waarneming ook gebaseerd op gesprekken met Koreanen. Zo vermeldt de literaat Yu Hyongwon in een van zijn geschriften dat hij een groepje westerlingen heeft gesproken over het gebruik van munten, iets waarvan in Korea toen nauwelijks sprake was. Dat moeten Hamel en zijn makkers zijn geweest.'

Het zou goed kunnen dat Hamel en zijn kornuiten al bedelend bij hem langs zijn geweest. Want hoe was het de Hollanders na de schipbreuk vergaan? De eerste dagen op Cheju vreesden ze voor hun leven, maar dat bleek ongegrond. Ze werden overgebracht naar een stad op het eiland, waar de gouverneur hen diverse keren ontbood. Steeds probeerden ze met gebarentaal duidelijk te maken dat ze naar Nagasaki wilden, maar er diende gewacht te worden op orders uit de hoofdstad. Hamel noemt de gouverneur `een goed, verstandig man' die voor de Hollanders feesten liet aanrichten zodat ze hun `droefheid' zouden vergeten en goed voor de gewonden zorgde. Hamel: `Hij deed als heidens mens meer voor ons dan menig christen zou hebben gedaan.'

Na twee maanden volgde een daverende verrassing: Hamel, de opperstuurman en de onderbarbier werden bij de gouverneur voorgesteld aan een landgenoot met een lange roodblonde baard. Dat was Jan Jansz Weltevree uit De Rijp. In 1627, toen het VOC-jacht Ouwerkerk op weg naar Japan door tegenwind op de kust van Korea was verzeild, had Weltevree zich aan land gewaagd om water te halen en was met twee maten ingerekend. Het drietal mocht Korea niet meer uit en werd ingelijfd bij het leger – na tien jaar sneuvelden Weltevree's lotgenoten tijdens een inval van de Mantsjoes. Weltevree had zich met zijn lot verzoend, was getrouwd met een Koreaanse en vervulde in 1653 in Seoel nog altijd een functie in het leger. Zijn moedertaal was hij zo goed als verleerd. De balling, die inmiddels Pak Yon heette, liet er geen twijfel over bestaan dat ook de overlevenden van de Sperwer Korea niet meer zouden verlaten. Toen in december op Cheju een nieuwe gouverneur aantrad, die stukken minder aardig deed, probeerden de stuurman en vijf anderen er met een scheepje vandoor te gaan. Maar ze konden niet met de Koreaanse tuigage overweg, werden door achtervolgers overmeesterd en kregen voor straf 25 stokslagen `op de blote billen'. `Waer van zij', aldus Hamel, `omtrent een maent langh inde koeij lagen.'

In mei 1654 werden de schipbreukelingen naar Seoel gebracht en ontboden bij de koning. Die liet via tolk Weltevree weten dat ze inderdaad de rest van hun leven in Korea zouden slijten en dat ze tot zijn lijfwachten waren benoemd. Maar het bloed kroop waar het niet gaan kon. Toen in 1655 uit China (waar een Mantsjoe de keizerstroon had bestegen) een gezant langskwam, braken de opperstuurman en de busschieter door het kordon, schudden hun Koreaanse kleren af en spraken `de Tartaar' in Hollandse plunje aan. Een pijnlijk incident: de Koreanen hadden hun `grote broer' China niet van de aanwezigheid van de Hollanders op de hoogte gesteld uit angst wapens en andere goederen uit de Sperwer te moeten afstaan. De gezant werd omgekocht en en beide raddraaiers werden in het gevang geworpen. Walraven: ``Volgens een Koreaanse bron heeft de opperstuurman zich daar verhongerd, de barbier overleed onder onopgehelderde omstandigheden.'

In 1663, toen ze na langdurige schaarste nog 22 man sterk waren, werden de Hollanders over drie steden verdeeld. Hamel behoorde tot het dozijn dat naar de kustplaats Saesong werd gestuurd. Met bedelen hielden ze zich in leven. Toen het in september 1666 eindelijk lukte om een vissersschip te kopen, ondernamen acht Hollanders, onder wie Hamel, een vluchtpoging. Ditmaal wisten ze wel Japan te bereiken – toen een Japans bootje hen achtervolgde staken ze snel een roodwitblauw vlaggetje op dat ze in Korea in elkaar hadden geflanst, uit alle macht `Hollando Nagasakij!' schreeuwend. Ze werden naar Nagasaki gebracht en door de gouverneur tot driemaal tot uitvoerig ondervraagd. Na een jaar konden ze met de VOC-fluit de Spreeuw naar Batavia. Na de nodige diplomatieke correspondentie kregen de Japanners de Koreanen zelfs zover dat ze de achtergebleven Hollanders lieten gaan; in augustus 1668 kwamen dezen in Deshima aan.

Barbaarse mantsjoes

Het probleem met Hamels journaal, aldus Walraven, is de beknoptheid. ``Hoe raak typeringen zijn blijft verborgen zonder achtergrondkennis. Toen Hamel er verbleef was Korea al eeuwen een stabiele staatkundige eenheid met een rijke, op China geënte cultuur – toen het land in 1637 de `barbaarse' Mantsjoes trouw moest zweren was dat welhaast ondraaglijk. Korea kende een wijdverbreide en goed georganiseerde bureaucratie. Dat Hamel en zijn kornuiten niet onmiddellijk door rovers zijn gedood kan er wel eens mee te maken hebben dat Koreanen zich bespied wisten en er wel voor waakten zomaar iets te doen.'

Na het aanbreken in 1392 van de Choson-periode promoveerde het confucianisme in Korea tot staatsleer, ten koste van het boeddhisme. Hamel rept van kloosters die `meer als bordelen en brashuizen' gebruikt worden dan als tempels, `te meer daar de monniken zelf ook veel van het geestrijk vocht houden'. Walraven: ``Hamel noemt het confucianisme nergens als zodanig, wat niet zo vreemd is omdat de Koreaanse samenleving ermee was doordrenkt. Bij Witsen is het verhaal te lezen van de Koreaan die zegt dat zijn land met de pen wordt geregeerd. Waarop een Mantsjoe een pijl uit zijn koker trekt en zegt: `bij ons gaat het zo'.'

Het confucianisme legde de nadruk op landbouw, handel stond in laag aanzien. De aandrang om de poorten naar het westen te openen was dan ook niet groot, ook al gezien de slechte ervaringen met de Japanners en de Mantsjoes. Na het vertrek van Hamel en zijn medeschipbreukelingen was er tot in de negentiende eeuw geen westerling in Korea te bekennen. Pas in 1876 braken de Japanners de grenzen open. Dat neemt niet weg dat in Hamels tijd de Koreanen druk handel dreven met Japan (via het leen Tsushima) en met China. Zelfs hadden de Japanners in de zuidelijke havenstad Pusan een permanente nederzetting: de Waegwan. Walraven: ``De geslotenheid van Korea moet niet overdreven worden. Hamel viel de enorme populariteit van tabak op, begin zeventiende eeuw via Japan ingevoerd, en wellicht heeft hij nog net de opkomst van de rode peper meegemaakt, een ingrediënt dat de Koreaanse keuken ingrijpend heeft beïnvloed. En de koning ten tijde van Hamel was gijzelaar aan het Mantsjoe-hof geweest en stond in die periode in contact met westerse missionarissen. Die man wist echt wel iets van de wereld.'

Hoe reageerde de Heren Zeventien op Hamels verslag? Bij het overhandigen van het journaal in Amsterdam adviseerde de groep die was ontsnapt de handel met Korea te openen. Hollands laken zou bij uitstek een geschikt product zijn om in het koude Korea aan de man te brengen. Graag zouden ze aan zo'n expeditie deelnemen en ook Hendrik Hamel, die in Batavia was achtergebleven, wilde meedoen – waarschijnlijk hadden de schipbreukelingen van de Sperwer vrouwen en kinderen in Korea. Maar de gouverneur in Batavia en het opperhoofd in Deshima hielden de boot af. Ze betwijfelden of er in het arme Korea veel te halen viel en ook vreesden ze dat de Tartaren en Japanners weinig gecharmeerd zouden zijn van Nederlandse handelsactiviteiten met Korea. De VOC-post op Deshima zou op het spel staan. En zo ging Korea, waar Hamel dertien jaar zijn ogen de kost had gegeven, weer op slot.

In Korea is Hendrik Hamel nog altijd springlevend, de episode is verplichte kost op de basisschool. Walraven: ``Koreanen zijn geïntrigeerd door dat kleine westerse landje dat in staat was over de hele wereld schepen uit te zenden, zich invloed te verwerven en geld te verdienen. Hoe deden ze dat? Ze betrekken het op zichzelf: ook Korea was een klein land dat zich staande moest zien te houden tegenover de grote buren, een `garnaal' tussen de `walvissen' China, Japan en Rusland. Ook zien Koreanen de gebeurtenissen rond de Sperwer als een gemiste kans. Ze fantaseren erover wat er gebeurd zou kunnen zijn als ze hun land toen wel hadden opengesteld, als ze de Nederlanders een Koreaans Deshima hadden gegund. Zouden ze dan niet, net als in Japan, westerse kennis hebben kunnen aftappen die het land sterker had gemaakt? Wellicht, zo is de gedachte, had Korea zich dan staande kunnen houden toen Japan het land aan het begin van de twintigste eeuw binnenviel. Die koloniale periode is voor Korea nog altijd een groot trauma.'

Maar het idee van het confucianisme als blok aan het Koreaanse been deugt niet, vindt Walraven. ``Dat beeld, ook door buitenlanders uitgedragen, is aan herziening toe. Gelukkig beleven we de laatste tijd een herwaardering van de Choson-periode. Dat was een zeer bloeiende cultuur, lang voor Laurens Janszoon Coster of Gutenberg werden in Korea op technisch hoog niveau uit losse letters de prachtigste boeken gedrukt. Dat weet niemand.'

`De wereld van Hendrik Hamel: Nederland en Korea in de zeventiende eeuw'. SUN, 192 blz., geïll. ISBN 90 5875 1163. Prijs: 19,95 euro.

De gelijknamige conferentie vindt plaats op zaterdag 6 september in het LAK-gebouw, Cleveringaplaats 1, Leiden. Tijd: 14-18 uur. Toegang vrij. Zie ook www.verenigingnederland-korea.nl.

    • Dirk van Delft