GROEIFACTOR MAAKT LEUKEMIECEL GEVOELIG VOOR CHEMOTHERAPIE

Het lijkt op vloeken in de kerk: geef kankerpatiënten een groeifactor die de ontwikkeling van de kankercellen stimuleert. Maar als die wat rijpere cellen gevoeliger zijn voor celdodende middelen dan onbehandelde cellen, verliest zo'n behandeling zijn tegenstrijdige karakter.

Dat geldt in elk geval voor patiënten met acute myeloïde leukemie, zo blijkt uit een onderzoek door een internationale onderzoeksgroep onder leiding van de Rotterdamse hoogleraar hematologie dr. Bob Löwenberg. Van de leukemiepatiënten die tijdens de chemotherapie ook de groeifactor G-CSF ontvingen bleek 42 procent na vier jaar niet opnieuw leukemie te hebben gehad. Bij patiënten die niet met deze groeifactor waren behandeld was dit percentage 33 (New England Journal of Medicine, 21 aug.).

Acute myeloïde leukemie (AML) is een vorm van bloedkanker die zich manifesteert in het beenmerg, waar voortdurend rode en witte bloedcellen en bloedplaatjes worden aangemaakt. Bij mensen met AML gaat er iets mis bij de rijping van deze cellen en worden in hoog tempo grote hoeveelheden onrijpe en voor het lichaam onbruikbare bloedcellen gevormd. Deze zogeheten blasten krijgen na verloop van tijd de overhand. Niet alleen omdat ze explosief in aantal toenemen, maar ook omdat ze de groei en rijping van normale cellen onderdrukken. Bij de patiënt ontstaan geleidelijk allerlei symptomen van een fikse bloedarmoede, zoals moeheid, gewichtsverlies, koorts zonder duidelijke reden of bloedingen. De diagnose AML wordt doorgaans gesteld na onderzoek van het beenmerg.

De gangbare chemotherapie tegen deze vorm van kanker werkt wel, maar niet afdoende. Een groot aantal patiënten krijgt de ziekte vroeg of laat opnieuw. Blijkbaar weten sommige AML-cellen aan de therapie te ontkomen. Bij onderzoek aan gekweekte blasten is echter gebleken dat zij na toediening van groeifactoren als G-CSF en GM-CSF gevoeliger zijn voor medicijnen die het proces van celdeling verstoren. De vraag was toen of toediening van deze groeistoffen tijdens de chemotherapie tot betere resultaten zou leiden.

Om dit te onderzoeken werden 640 patiënten uit 33 ziekenhuizen in Nederland, België, Zwitserland en Duitsland at random in twee groepen verdeeld. De helft van de patiënten kreeg de standaard chemotherapie, de andere helft kreeg daarbij ook G-CSF. Aanvankelijk leek de toevoeging van de groeifactor geen voordelen te hebben. In het eerste jaar na de therapie kregen ongeveer evenveel patiënten uit beide groepen de ziekte opnieuw. Naarmate de tijd vorderde bleek echter dat de patiënten die ook met de groeifactor waren behandeld significant vaker van een heropleving van de ziekte gevrijwaard bleven. De verschillen zijn echter niet erg groot en het is heel wel denkbaar dat slechts een bepaalde groep AML-patiënten van de toevoeging van de groeifactor profiteert. Het blijft daarom zaak om verder te zoeken naar nog effectievere behandelingen.