Een zwakke dijk bij laagwater

Onder deskundigen is er geen consensus over het nut van het inlaten van zout water tegen verdroging. `Láát er een talud verzakken. Dan stuur je er een vent met een bulldozer heen.'

Was het nu verstandig of niet om bij Gouda brak water uit de Hollandsche IJssel het Rijnland te laten binnenstromen? De deskundigen kunnen het niet helemaal eens worden. Begin deze week meldde TNO dat de vermeende voordelen (tegengaan van paalrot, inklinking en verzwakking van de boezemkades) niet opwegen tegen de nadelen van de zoutlast voor de landbouw en de natuur.

Dr.ir. A. Verruijt, voor zijn emeritaat hoogleraar grondmechanica in Delft, vindt het ondanks alles wel een verstandige maatregel. ``De waterschappen hebben een wettelijke taak in het beheer van het grondwaterpeil en die voeren ze nu uit.' Dr.ir. F.B.J. Barends, verbonden aan GeoDelft en parttime-hoogleraar: ``Ik onderschrijf het bezwaar van TNO dat de zoute last erger is.' Dr. J.J. de Vries, hoogleraar hydrogeologie aan de VU: ``Ik kan me voorstellen dat je in oude steden het grondwaterpeil wél op niveau houdt om paalrot te voorkomen.'

Maar bij de Rijksdienst voor de Monumentenzorg vindt men de angst voor paalrot zwaar overdreven (`loos alarm'). En het Nederlands Instituut voor Toegepaste Geowetenschappen van TNO vindt niet één van de argumenten voor de inlaat van brak water steekhoudend. TNO verwoordde als eerste de kritiek op die stap.

Dramatische lading

Vorige week donderdag besloot het Hoogheemraadschap van Rijnland om ter bestrijding van droogte-effecten in Rijnland bij Gouda water in te laten dat daarvoor eigenlijk niet geschikt was: brak water. Kort erna gaf staatssecretaris Schultz van Haegen een toelichting op de televisie waardoor het besluit een dramatische lading kreeg. Voor het eerst sinds 1976 ging Nederland zout water binnenlaten. Daarvan was schade te verwachten aan natuur en tuinbouw, want brak water is niet te gebruiken voor beregening en bevloeiing. Maar het betekende afwending van veel groter gevaar: paalrot, klink, aantasting van boezemkades en ongebreidelde kwel. Het klonk toch alsof Nederland na eeuwen de strijd tegen de elementen had verloren.

Verruijt vindt het komkommernieuws. ``Het is geen zééwater dat ze naar binnen laten. Het is een beetje brak, het chloridegehalte is wat hoger. Maar het wordt onderweg nog volop gemengd, voor het bij de kwekers van Boskoop is is ongevaarlijk.'' Maar het zoutgehalte van de Hollandsche IJssel stijgt nog steeds en gisteren was het chloridegehalte van het water al boven de 420 mg per liter gekomen. Daarmee valt het ruim binnen de biologische definitie (volgens het Venice System) van `brak' water, waarvoor een minimum van 300 mg/l wordt aangehouden, maar staat het nog heel ver van zeewater dat een chlorideghalte heeft van rond de 18.000 mg per liter. Bij Boskoop werd donderdagavond een waarde van 350 gemeten. Gisteren werd besloten vanaf volgende week dinsdag water uit andere hoek, het Markermeer, naar het beheersgebied van het Hoogheemraadschap Rijnland te halen.

De essentie van de kritiek waarmee TNO maandag naar buiten kwam was dat het grondwaterpeil in een uitgestrekt veenweidegebied niet binnen een termijn van vele weken reageert op verandering van het oppervlaktewaterpeil. Het `grondwater' waar het hier over gaat is het hoogst gelegen grondwater, het water dat men tegenkomt als er vanaf het maaiveld een put wordt gegraven. In West-Nederland kan dat water al na een halve meter worden aangeboord, in Limburg kan het wel 60 meter diep liggen. Het peil van grondwater wordt bepaald door de balans tussen neerslag en verdamping (het neerslagoverschot) en toe- of afstroming uit, of naar, sloten. Bezien in ruimer kader is er ook de invloed van wegzijging naar diepere gebieden en kwel uit de ondergrond.

Vlak bij de sloot staat het grondwater op het niveau van de sloot. Maar tussen de sloten (die vaak zo'n 50 meter uit elkaar liggen) is het peil 's zomers meestal decimeters lager. De toestroming uit de sloten kan de `evapotranspiratie' (fysische en biologische verdamping) op geen stukken na compenseren. Zo ontstaat een `holle grondwaterspiegel'. Veen dat droogvalt gaat oxideren en mineraliseren en slinkt in volume: de beruchte klink. Dat proces is al vele eeuwen gaande, sinds 1300 is het maaiveld in de West-Nederlandse veengebieden met 3 meter gedaald. De vorige eeuw daalde het zo'n 20 cm. Boeren dringen aan op kunstmatige verlaging van het grondwaterpeil omdat ze al kort na de winter met zware machines het land op willen. De zomerse klink is dus niets bijzonders. En hij is niet te voorkomen, daar is iedereen het over eens.

Ook het droogvallen van de koppen van houten heipalen onder gebouwen zal dus hier en daar voor lief moeten worden genomen, al kan het grondwaterpeil binnen oude steden (waar minder evapotranspiratie is) wel enigszins worden beïnvloed. Maar het is helemaal geen ramp als de palen een paar weken droogvallen, hebben TNO Bouw en de Rijksdienst voor de Monumentenzorg afgelopen week onderstreept. Paalrot ontstaat onder inwerking van schimmels, en schimmels hebben zuurstof nodig voor hun stofwisseling: ze zijn aeroob. Zodra de paalkop weer onder water staat en de aanvoer van zuurstof stokt stopt ook de rot. Anaerobe paalrot (door bacteriën) is in Nederland zeldzaam. TNO Bouw rekent pas na een gesommeerde droogstand van twee jaar op aanzienlijke schade.

Enige onduidelijkheid is er over de vraag over het `opzetten' van het peil in sloten en vaarten een rol kan spelen in het onderdrukken van de hinderlijke zoute kwel die hier en daar voorkomt, zoals in de Haarlemmermeer en de polder Groot Mijdrecht (en in Noord-Holland in de Heerhugowaard). Sommigen menen van wel maar hydrogeoloog De Vries van de VU heeft zijn twijfels. Kwel is een diffuus proces dat zich over een groot oppervlak afspeelt en als je er niet in slaagt het grondwaterpeil in je weidegebieden op te voeren, dan is er van het verhogen van het peil in de sloten alléén niet veel te verwachten.

Boezemkader

Na de forse kritiek van TNO hanteren het Hoogheemraadschap van Rijnland en de Unie van Waterschappen voornamelijk nog de mogelijke aantasting van de `boezemkades' als argument voor de inlaat van brak water. De boezemkades zijn de dijken waartussen het boezemwater staat of stroomt. Als het oppervlaktewaterpeil te laag wordt kunnen de boezemdijken uitdrogen, zeggen de de waterschappen, en als er daarna opeens weer veel water komt worden ze instabiel. Dan krijg je verzakking van het talud of dijkval.

Ook dit argument is weggewimpeld, onder meer door de Rijksdienst voor de Monumentenzorg. Ing. G.H. Keunen, senior adviseur molens en waterbouwkundige werken: ``Ik ben daar nooit een voorbeeld van tegengekomen. Ik verwacht dat soort effecten alleen bij calamiteiten, bij zeer abrupte waterpeilveranderingen.''

Barends van GeoDelft vindt de bezorgdheid in principe wel terecht, maar hij kan het probleem toch relativeren. Rivierdijken, zeker winterdijken, drogen 's zomers altijd uit, daar is niets aan te doen. Ze doorstaan de hernieuwde `benatting' met gemak. En veel (oude) boezemdijken bestaan uit klei, veen of zelfs zeewier waarin een flinke capillaire opstijging van water plaatsvindt. Zulke dijken drogen helemaal niet snel uit. Dijken van zand zijn kwestbaarder.

Emeritus-hoogleraar Verruijt, begin 1995 de Delftse deskundige die grote zorg had over het bezwijken van de dijken langs de Waal (die extreem hoog stond), toont zich nu zeer luchthartig. Een zwakke dijk bij laag water vindt hij niet iets om je druk over te maken. ``Láát er een pandje verzakken of een stuk talud wegglijden. Dan stuur je er een vent met een bulldozer naar toe. Ik vind het van secundair belang.''