Weg met het brave leventje

Predappio is een klein, slaperig plaatsje in de Apennijnen, zo'n 150 kilometer ten zuiden van Bologna. Halverwege de stad doorkruist de doorgaande weg een groot plein, met rechts voor de kijker een imposante, uit geelbruine steen opgetrokken zuilengalerij in de vorm van een halve cirkel. Dit riekt naar kitsch, naar fascistische kitsch. Langs de hoofdweg staan ten minste drie, vier grote souvenirwinkels. De toerist die hier binnenstapt krijgt de schrik van zijn leven. De hele zaak blijkt volgestouwd met fascistische parafernalia: boeken, T-shirts, shawls, petjes, kaarten, posters, stickers, medailles, messen, beeldjes, glazen en mokken

Predappio is de geboorteplaats van Benito Mussolini. Even buiten het plaatsje, op het lokale kerkhof, staat zijn crypte, compleet met borstbeeld en rijlaarzen. De inwoners van Predappio mogen traditioneel links stemmen, ze hebben zich de herinnering aan hun beroemdste zoon niet laten ontnemen. Een van die inwoners is de Britse historicus Nicholas Farrell. Vijf jaar terug is hij neergestreken in Predappio, en hij heeft zijn tijd sindsdien besteed aan het schrijven van een lijvige biografie van de Duce: Mussolini. A new life. Farrell blijkt dezelfde ambivalente gevoelens te koesteren jegens de Italiaanse dictator als een groot deel van zijn stadgenoten.

Een goede revisionistische biografie schrijven van Mussolini valt niet mee. Het historische beeld van de grondlegger van het fascisme is de laatste jaren sowieso aanzienlijk genuanceerd. De historicus Richard Bosworth publiceerde vorig jaar al een uitstekende studie naar Benito Mussolini (besproken in Boeken, 24.05.02). Farrell trekt zich hier echter weinig van aan. Alsof er niets veranderd is, trekt hij van leer tegen het vermeende dominante beeld van Mussolini als een `groteske clown' (de liberale interpretatie) of een `instrument van de bourgeoisie' (de marxistische versie). Geen van beide interpretaties klopt. Ze verklaren immers niet, stelt Farrell, hoe Mussolini twintig jaar lang aan de macht wist te blijven, vrijwel zonder bloedvergieten, en gesteund door het overgrote deel van de Italiaanse bevolking. Mussolini heeft één fatale vergissing gemaakt, aldus Farrell: zijn alliantie met nazi-Duitsland. Dit bondgenootschap luidde niet alleen de ondergang van het fascistische regime in, het heeft ook Mussolini's plaats in de geschiedenis bepaald – naast Hitler en Stalin.

Mussolini. A new life is een lezenswaardig boek, vlot geschreven, polemisch en consequent, met oog voor detail, en zonder overbodige uitweidingen. Maar is het `nieuw'? Farrell berijdt een aantal stokpaardjes. Het Italiaanse fascisme, meent hij, is ten onrechte in de `rechtse' hoek geplaatst. De intellectuele kracht achter het fascisme was links. Farrell spreekt van fascisme en `de andere linkse partijen.' In de harten van vele Italianen, ook die van Mussolini, zouden rosso en nero om voorrang hebben gestreden. Farrell wijst hierbij met name op Mussolini's `antiburgerlijke gezindheid'. Er was weinig dat de dictator meer verafschuwde dan la vita comodo, het goede burgerlijke leven. In dit verband verwijst Farrell naar het `Derde Weg'-denken: het fascistische alternatief voor kapitalisme en communisme. Het marxisme is op sterven na dood maar de Derde Weg leeft als nooit tevoren, aldus Farrell, en hij trekt een rechte lijn tussen Mussolini's fascisme en New Labour. Ik houd het er maar op dat Farrell meer verstand heeft van Mussolini's fascisme dan van Blairs sociaal-democratie.

Farrell brengt veel begrip op voor Mussolini's antidemocratische gezindheid. Er is veel voor te zeggen om in het onderzoek naar Europa tussen de beide wereldoorlogen het simpele paradigma `democratie versus dictatuur' te laten varen. Het versluiert meer dan dat het duidelijk maakt. Voor Mussolini, voor de meeste Italianen, en naar het schijnt voor Farrell zelf, was er in Italië in het begin van de jaren twintig helemaal geen sprake van een serieuze keuze: de parlementaire democratie was al dood! `In de volksvertegenwoordiging speelde zich niets van enige betekenis af, corruptie en kleingeestige partijpolitiek waren de norm'. Mussolini deed geen greep naar de macht, meent Farrell, dat is louter fascistische mythologie. De koning verleende hem de macht. De Italianen stonden juichend langs de kant. En ze bleven juichen, ook toen de Duce geleidelijk alle democratische `verworvenheden' opzij schoof en zijn fascistische dictatuur vestigde.

In Mussolini's Italië waren geen Goelag, geen eindeloze executies, geen vernietigingskampen – dergelijke politieke onderdrukking was helemaal niet nodig. Zelfs bij de enige terreurdaad van landelijke betekenis, de ontvoering en dood van Giacomo Matteotti, voorman van de socialisten in het Italiaanse parlement, was Mussolini, zoals Farrell waarschijnlijk terecht opmerkt, niet direct betrokken. `Mussolini was geen goed mens', concludeert Farrell, `maar hij was zeker minder dan half zo slecht als hij doorgaans wordt voorgesteld.'

De volkssteun voor Mussolini's fascistische dictatuur nam echter snel af na het begin van de Tweede Wereldoorlog. Het sluiten van het `IJzeren Pact' met nazi-Duitsland bleek inderdaad een fatale misrekening. Tot in juni 1940 wist Mussolini zijn land buiten de oorlog te houden, daarna trok hij ten strijde aan Duitse kant. De gevolgen waren dramatisch en vernederend. De Italiaanse strijdkrachten bleken tot weinig in staat. Het thuisfront begon hardop te klagen. Een bloedeloze coup, met dezelfde koning Vittorio Emanuele III in de hoofdrol, maakte in juli 1943 een einde aan Mussolini's fascistische regime. De Repubblica Sociale Italiana, of de zeshonderd dagen van Salò, die Mussolini kort daarop onder zware druk van Hitler in het noorden van Italië in het leven riep, was niet meer dan een voetnoot in de geschiedenis. Op 28 april 1945 schoten partizanen Mussolini en zijn minnares Claretta Petacci dood. Enkele dagen later bungelden hun lijken ondersteboven aan het dak van een benzinestation in Milaan.

Angst en hebzucht dreven Mussolini in de richting van nazi-Duitsland, meent Farrell. Mussolini vreesde dat indien hij neutraal bleef, Duitsland zich uiteindelijk gedwongen zou zien Italië binnen te vallen. Bovendien had hij in de tussentijd zijn begerige ogen op andermans eigendommen laten vallen (Malta, het Suez-kanaal, Slovenië en zelfs delen van zuidoost Frankrijk). Ideologische overwegingen zouden geen rol van betekenis hebben gespeeld, stelt Farrell. Hij onderschat echter Mussolini's ideologische affiniteit met het nationaal-socialisme. Italië kon wel een `beetje Pruisen' gebruiken, verzuchtte de Duce geregeld, en de anti-joodse wetten die vanaf september 1938 werden ingevoerd, waren zonder twijfel geïnspireerd op het Duitse voorbeeld. Mussolini was niet antisemitisch, meent Farrell, hij was hoogstens anti-joods. Het verschil ontgaat me in dit verband, maar als we Mussolini's schoonzoon, de minister van Buitenlandse Zaken Graaf Galeazzo Ciano mogen geloven, stemde de dictator `onvoorwaardelijk in' met de pogroms die in Duitsland in de Kristallnacht plaatsvonden. Mussolini speelde zelfs met de gedachten de Italiaanse joden naar Somalië te deporteren. Farrell laat deze ongemakkelijke details liever onvermeld.

Mussolini. A new life is een serieuze, goed geschreven biografie. Farrells revisionisme zit hem echter in de weg. Zijn afkeer van het vanzelfsprekende antifascisme van de `babbelende klasse' in Italië blijkt geen ideale stimulans om een levensgeschiedenis van Mussolini te schrijven. Onder historici is het beeld van Mussolini allang genuanceerd en dat het antifascistische verzet in Italië vooral dient als ontstaansmythe van de naoorlogse republiek, heeft in wezen weinig van doen met de `historische' Mussolini en zijn fascistische experiment.

Nicholas Farrell: Mussolini. A new life. Orion, 480 blz. €43,99

    • André W.M. Gerrits