Te mooi om ware kunst te zijn

Hoe maak je kunstfoto's van wilde dieren? Zevende en laatste aflevering in een serie over dieren en kunst.

Het valt niet mee, natuur- of dierenfotograaf te zijn. Lange werkdagen met onzekere uurindeling, onwillige, mensenschuwe of ronduit agressieve medewerkers, en technieken die je tot in het laatste state of the art detail moet zien te blijven beheersen om een zo natuurlijk mogelijk resultaat te boeken. En vaak ben je de eerste om te ontdekken of die techniek in druipend regenwoud of bij min veertig graden Celsius standhoudt.

Ondertussen moet je iets zien te maken van onderwerpen die al duizend keer eerder zijn aangepakt. Hoe vaak kun je een olifant verkopen? Duizend-en-een keer, als je maar een originele invalshoek hebt. Op je onderwerp. Maar ook op kunstzinnige zaken als beeldcompositie, timing, uitvergroten of juist onderkoeld houden van drama, het in éénhonderdvijfentwintigste seconde treffen van een persoonlijkheid. Misschien wel als embleem van een complete diersoort.

Goed, je bent terug, en uitgeziekt. Hoe wordt je werk ontvangen? Niet als jouw werk. Het oordeel is mogelijk gunstig. Maar het is de natuur die zo mooi in elkaar zit, het zijn de dieren die zo leuk of origineel zijn. En, volgens de beschouwer met de wat meer bezonken blik, zijn het God of Darwin die toch maar een knap staaltje werk hebben geleverd.

Natuur en dieren zijn als materiaal niet te vertrouwen. Voor je het weet lopen ze met je complete creatie weg. Het is lastig ervoor te zorgen dat je als fotograaf zelf nog in beeld komt. En het is vrijwel onmogelijk met dit materiaal de status van kunstenaar te verwerven. Natuur en dieren heten `echt' te zijn, en kunst is dat niet. Maar er is wel weer echte kunst – en volgens Susan Sontag hoort die ons zenuwachtig te maken. En daar heb je het weer, met die natuur en al haar accessoires – het oogt zo mooi, allemaal. En mooi gaat richting braaf. Zo'n beetje een kwart van wat bijvoorbeeld bestseller Frans Lanting ons als wildlife photographer voorschotelt is in feite ook kunstgaleriekunst. Maar het is te mooi om waar te zijn. De circuits zijn vrijwel gescheiden.

Er zit een egocentrisch trekje aan die gedeeltelijke miskenning. We zien vooral graag kunst die onszelf belicht. Die ónze drijfveren en handelingen of ons uiterlijk in een ander daglicht plaatst. Er zijn niettemin drie strategieën om toch aan te sluiten bij de kunstbroeders. Zijn dieren te echt? Geef ze kunstmatige attributen of laat ze vervreemdende dingen doen. Zijn je foto's te echt? Versier ze, gebruikmakend van middelen uit andere kunstdisciplines. Eisen dieren de hoofdrol op, jouw visie versluierend? Fotografeer ze schijnbaar heel afstandelijk en neutraal, in een omgeving die van alle dramatiek gespeend is.

Die trucs zijn met succes toegepast. De eerste aanpak is die van Amerikaan William Wegman. Niet wilde dieren, maar honden zijn zijn materiaal. Zijn Weimaraner honden laat hij, balancerend tegen elkaar, met objecten of zelfs aangekleed met de mensencultuur spelen. Het sterkst is hij als hij zijn honden abstracte menselijke concepten laat uitbeelden. Ze poseren gewillig, maar met een stuurse, nihilistische blik die meldt dat ze aan al die concepten geen boodschap hebben, er zelf maar een stuk of drie hanteren en dat die veel belangrijker zijn. Gelijk hebben ze. Zo buit je de echtheid van dieren als kunst uit.

De tweede aanpak is die van Peter Beard. Zijn techniek werkt wonderlijk treffend. Zijn Afrikaanse wildlife-foto's voorziet hij van geschreven, getekende of geschilderde toevoegingen – als letterlijke dubbele laag. Beard (1938) maakte als ouderwets veelzijde societyfiguur het Afrika van de Deense schrijfster Karen Blixen mee, zelfs nog mét Karen Blixen. Hij woonde lange tijd in Kenia, temidden van een weldadig rijk dierenleven. Maar in die jaren groeide de bevolking van vijf miljoen naar dertig miljoen. Als elders op het continent bleef er van een rijk dierenleven dus een armzalig handje symbooldieren over.

Als kunstenaar weet Beard er mooi mee om te gaan. Zijn oude dierenfoto's, in zwart-wit, geeft hij nu extra lading door in de marge van de grote afdrukken teksten en kleurige, verfijnde of juist ruwe schilderingen aan te brengen. Met verf, maar ook wel met bloed – en met groot succes.

En het derde redmiddel om met dieren als fotomateriaal toch als kunstenaar mee te tellen is gekozen door de Duitse Candida Höfer. Om als kunst beoordeeld te worden, moet het dierengegeven op het eerste gezicht niet sterk zijn. Niet op een makkelijke manier aanspreken. Candida Höfer maakt kunst van het wilde dier in dierentuinen. Ze reisde de wereld rond en zette dieren met hun verblijf in de dierentuin op de foto. Schijnbaar afstandelijk, met opmerkelijk talent voor het niét vastleggen van actie, sprekende lichaamstaal of zelfs maar een persoonlijke gezichtsuitdrukking. Ze vangt dieren op verloren momenten, waar het leven grotendeels uit bestaat. Met als resultaat: schijnbare saaiheid en afgebakende overzichtelijkheid om bloednerveus van te worden. Ze catalogiseert hoe wij dierenlevens catalogiseren, zonder al te veel aandacht voor dat leven zelf. Net als Beard levert ze een voorspelling. Dieren zullen hun wildheid steeds meer na moeten spelen in de mensenomgeving.

Kortom, er komen steeds meer kunstdieren. Maar dit was de laatste.