Stop de toneelverzuiling

Toneel is de laatste jaren een stuk publieksvriendelijker geworden. Maar tussen de smaak van het publiek en die van de experts gaapt nog steeds een diepe kloof.

De NRC Handelsblad Toneelpublieksprijs voor de beste voorstelling van afgelopen seizoen ging afgelopen juni naar Gloed van Impresariaat Gislebert Thierens, de voorstelling naar het boek van Sándor Márai. Weet u nog? Welnu, komende weken gaat in Nederland en België het Theaterfestival van start, het festival dat `de meest belangwekkende voorstellingen' van het voorbije seizoen toont. Gloed zal daar, zo redeneert u, als grote publieksklapper toch zeker niet ontbreken. Nadat u Gloed heeft ingehaald, kunt u meteen naar iets kleins gaan kijken dat ook geselecteerd is – zo ziet u ook nog iets van de nieuwste ontwikkelingen.

Maar Gloed ontbreekt op het Theaterfestival. De Toneelpublieksprijs en het Theaterfestival draaien allebei om de mooiste voorstelling van het voorbije toneelseizoen. Toch hebben ze verder niets met elkaar te maken.

De selectie van de voorstellingen in het Theaterfestival werd tot dit jaar gemaakt door een jury van recensenten van dagbladen; zij kozen de `meest belangwekkende' voorstellingen van het afgelopen seizoen. Uit die selectie kiest een erejury van drie anderen – meestal bobo's uit de kunstwereld die daartoe door festivaldirecteur Arthur Sonnen worden uitgenodigd – na afloop van het festival de voorstelling die de Grote Theaterfestivalprijs krijgt. Dit jaar is dat op 14 september.

De selectie voor de Toneelpublieksprijs, die gesponsord wordt door deze krant, wordt gemaakt door theaterbezoekers die op willekeurige avonden stemkaarten en potloodjes krijgen uitgedeeld en dan een rapportcijfer mogen uitdelen. Naast Gloed waren dit jaar de andere finalisten: Cloaca door Het Toneel Speelt, Festen van 't Bos Theaterprodukties – beide geregisseerd door Willem van de Sande Bakhuyzen – en de Dood en het Meisje, met Linda van Dyck, Victor Löw en Peter Tuinman.

Eén blik op de twee lijstjes leert dat bij deze festivals de verzuiling nog geheel intact is. Geen enkele voorstelling staat op beide lijstjes. Wanneer ook de nominaties van de publiekprijs erbij worden genomen (alle voorstellingen die een hoger gemiddelde haalden dan een 8,1), is er nog altijd maar één voorstelling die doubleert: dat is Vrijdag van Zuidelijk Toneel Hollandia, geregisseerd door Johan Simons en gespeeld door Elsie de Brauw, Bert Luppes, Fedja van Huêt en Yonina Spijker.

Waar houdt het publiek van? Van een gedegen, maar niet al te ingewikkeld toneelverhaal, zo blijkt uit het Toneelpublieksprijs-lijstje, gespeeld door acteurs en actrices van naam, in een realistische enscenering – en vooral geen abstract gedoe. Het is een aanbeveling als er wat te lachen valt, maar dat hoeft niet per se; het stuk mag best schrijnen, als het maar herkenbaar is en de ondertoon er een is van humanisme, van begrip voor menselijk falen. Aan het slot van De dood en het meisje bijvoorbeeld, de smaakvolle politieke thriller van de Chileen Ariel Dorfman en veruit de zwartste nominatie voor de Publieksprijs, komen Paulina, haar echtgenoot en de man die vermoedelijk ooit haar beul is geweest, elkaar tegen bij een uitvoering van Schuberts strijkkwartet Der Tod und das Mädchen. Ze kijken elkaar aan, maar negeren elkaar verder – een afrekening heeft geen zin meer. In Festen, naar de gelijknamige film van Thomas Vinterberg, werd het harde incestverhaal doorsneden met melige grappen van cabaretgroep Niet Uit het Raam. Hugo Claus' Vrijdag is eveneens een incesttragedie, maar in de regie van Johan Simons werd dit stuk voor het eerst tot een verzoenend verhaal van menselijke zwakheid. Zwakheid die niet benepen is, maar juist ruimte laat – ruimte voor liefde, vergeving en hoop. De toeschouwer verlaat de zaal met een gevoel van warmte. En dat, zo blijkt uit het lijstje van de Toneelpublieksprijs, is iets wat veel mensen op prijs stellen.

Professionele kijkers waarderen zo'n voorstelling om dezelfde redenen als het publiek, maar daarnaast nog om andere redenen, in dit geval de schitterende ommezwaai die Simons' regie teweegbracht in de Claus-traditie van kleinburgerlijkheid en zweetsokkenlust. Vandaar dat deze Vrijdag ook terechtkwam op het lijstje van het Theaterfestival. Ik kan het weten, want ik zat zelf in de jury van dat festival.

Waar houden recensenten-jury's verder van? Als ervaren kijkers zijn ze minder snel te raken dan toeschouwers die misschien maar één keer per jaar een voorstelling bezoeken. Omdat ze veel gezien hebben, houden jury's van critici eerder van ingewikkeld. Ze willen behalve in het hart ook in het hoofd geraakt worden, ze zoeken eerder naar ongemakkelijkheid en confrontatie dan naar bevestiging, ze zijn niet bang voor abstractie en knappen af op voorspelbaarheid. Als ze met zijn negenen bij elkaar zitten, is mijn ervaring, wordt die tendens nog eens versterkt. Toch wil dat niet zeggen dat alleen bloedserieuze producties kans maken op een nominatie, zoals wel is gesuggereerd. Zo zijn drie voorstellingen op het lijstje van dit jaar, Leven en Werken van Leopold II van KVS de Bottelarij, de dubbele Oscar Wilde van 't Barre Land en Endless Medication van Buelens Paulina, zelfs uitermate grappig en luchtig. Alleen betrof het hier respectievelijk politieke, virtuoos-ingewikkelde en zeldzaam anarchistische luchtigheid. Dat dan weer wel.

Natuurlijk zijn er ook dweepzuchtigen onder critici en toeschouwers die zich het liefst in het hoofd laten raken. Toch bestaat er zoals bij alle kunstvormen ook in het toneel een diepe kloof tussen de smaak van publiek en experts. Bij een dure, weinig efficiënte kunstvorm als toneel geldt dat nog meer dan bij andere kunstdisciplines als een probleem.

In 1995 constateerden onderzoekers van het Sociaal Cultureel Planbureau in een rapport bijvoorbeeld dat de afstand tussen toneelmakers en publiek te groot was geworden. Toeschouwers willen blijspelen en klassieke stukken, maar de toneelmakers waren sinds de jaren zestig gaan experimenteren, met als gevolg een afkalvend publiek en een slecht imago.

Alleen: de overheid mag zich niet bemoeien met kunstinhoudelijke zaken, zoals enscenering of keuze van repertoire. Staatssecretarissen van Cultuur zijn gezelschappen in de loop der jaren dus steeds strengere eisen gaan opleggen waar het publieksaantallen betreft. Acht jaar later is de kloof tussen aanbod en publiek veel kleiner, constateerde het planbureau in zijn meest recente rapport over vrijetijdsbesteding. Iedereen die het aanbod bijhoudt zal dat beamen. Er is nu juist veel gedegen, toegankelijk toneel, en het imago van het toneel is sterk verbeterd.

Of dat alleen door het overheidsbeleid komt, is de vraag. De grenzen tussen hoge en lage kunst zijn in de afgelopen tien jaar immers minder strikt geworden, met meer toegankelijkheid tot gevolg. Minder dan in 1995 schuwen toneelmakers van gesubsidieerde gezelschappen luchtige stukken, behendig benutten ze de bekendheid die acteurs hebben gekregen via televisie of film, de populariteit van cabaretiers. Ooit was het verschijnen van Antonie Kamerling in een Hamlet van Ivo van Hove een unicum; nu kijkt niemand op van de combinatie van voormalig soapie Angela Schijf en Anne-Wil Blankers in een stuk van Tenessee Williams. Een actrice als Carice van Houten doet een Joop van den Ende-show, vervolgens een kinderfilm en ten slotte een Tsjechov bij Theu Boermans' Theatercompagnie, zonder dat zoiets opzien baart.

Meer in het algemeen is op de podia een generatie briljante Nederlandse acteurs van eind dertig, begin veertig aan het werk voor wie veel mensen graag naar het theater komen. Maar nieuwe grote zaal-regisseurs van het kaliber Rijnders, Van Hove of Simons zijn er niet bijgekomen. In de grote zaal heeft het regisseurstoneel op die manier weer plaatsgemaakt voor het acteurstoneel. Omgekeerd is het grote publiek wat avontuurlijker geworden. Het SCP constateerde dat uitgaan weer `in' is; in onze evenementencultuur zijn we op zoek naar die ene, unieke belevenis; theater kan zo'n belevenis verschaffen.

Zolang het maar verhalend theater is tenminste, en geen abstract. Een zeer matig ontvangen voorstelling als Hedda Gabler van de Theatercompagnie was op een regenachtige dinsdagavond in de Utrechtse Schouwburg vrijwel uitverkocht. Maar het associatieve Sonic Boom – een samenwerking tussen choreograaf Wim Vandekeybus en Toneelgroep Amsterdam en wat mij betreft een van de mooiste voorstellingen van het voorbije seizoen – speelde in thuisbasis Amsterdam voor vrijwel lege zalen.

Het experiment in de grote zaal wordt zeldzamer. Toegankelijkheid is momenteel de norm. De Raad voor Cultuur, bijvoorbeeld, hamert er in een recent rapport nog maar eens op. Er is al veel verbeterd, toneelmakers dienen zich blijvend te realiseren `dat niet voor elke theateruiting evenveel belangstelling bestaat'.

Theatermakers – zo is met andere woorden de teneur – kunnen best ophouden met moeilijk doen. Iedereen weet toch waar iedereen van houdt?

Geen wonder dus dat de voorkeur van de jury's voor kleine avant-gardevoorstellingen het Theaterfestival de afgelopen jaren op steeds fellere kritiek kwam te staan. Recensenten noemden de keuzes van hun collega's ondoorgrondelijk en bizar. En de erejury die de winnaar mocht kiezen riep vorig jaar de kleutervoorstelling Ola Pola Potloodgat tot winnaar uit, onder het motto: Ja hoor eens, we moeten het wel een beetje kunnen volgen.

De voorzitter van de jury van critici, de Vlaamse theaterwetenschapper Luk Van den Dries, en de directeur van het Theaterfestival, Arthur Sonnen, reageerden door nog maar eens uit te leggen dat het festival nu eenmaal niet beoogt de succesvolste, maar de artistiek belangrijkste voorstellingen van het voorbije seizoen te tonen – succes is dus geen maatstaf. Ze gingen voorbij aan het feit dat op complexiteit gefixeerde jury's sommige artistieke ontwikkelingen in het Nederlands toneel negeren – zoals het met Maria Goos opstaan van een heuse Nederlandse Ayckbourn of het sublieme niveau van het huidige acteren – omdat zij die als minder relevant ervaren.

Toch kwam door het steeds toenemende aantal premières ook binnen het Theaterfestival het jurysysteem onder druk te staan. Dit heeft er toe geleid dat directeur Sonnen per 2004 voor een andere aanpak kiest. Twee curatoren zullen voortaan de selectie maken van de `meest belangwekkende' voorstellingen van het afgelopen seizoen – hun namen worden aan het eind van het Theaterfestival bekendgemaakt.

Nog los van de vraag hoe twee mensen datgene kunnen doen waar een jury van negen man niet in slaagde – alle premières van een heel seizoen bezoeken – is dit een beslissing die evengoed gelukkig als rampzalig kan uitpakken, afhankelijk van de eigenzinnigheid en de onafhankelijkheid van die twee curatoren. Het is evenwel geen beslissing die de relevantie van het festival zal vergroten. Ook volgend jaar zal Sonnen weer moeten uitleggen waarom een typische greatest hit als Cloaca niet op zijn festival staat. Dat zal zo blijven, zolang er geen festival is dat die greatest hits toont.

Dat het Theaterfestival jaar in jaar uit zoveel heeft uit te leggen, doet het festival geen goed, maar ook het toneel niet. Terwijl acteurs onbekommerd van experimentele naar commerciële klussen overstappen en weer terug, blijft het Theaterfestival alleen de artistieke vooruitgang toegedaan. Dat lijkt een fraai streven, want zonder experimenten verwordt een kunstvorm tot een industrie. Maar paradoxaal genoeg komt zo'n starre houding het artistieke waagstuk op den duur niet ten goede. Een bekritiseerde uitzonderingspositie maakt het festival alleen maar kwetsbaarder.

Zowel het Theaterfestival als de NRC Handelsblad Toneelpublieksprijs is ooit opgericht om meer aandacht te wekken voor toneel. Maar gezelschappen en schouwburgdirecteuren zijn inmiddels zelf heel goed in staat publiek te trekken. De taak die een theaterprijs of festival zich zou moeten stellen is nu dus een andere: het opheffen van de toneelverzuiling; het voor het publiek verkleinen van de afstand tussen dat kamerbrede publiekstoneel en het artistieke waagstuk, opdat dit laatste niet verdwijnt.

De afstand tussen die twee prijzen, kortom, moet verdwijnen. Het is daarom te hopen dat de curatoren die het festival van 2004 gaan samenstellen, een flink eisenpakket op tafel hebben gelegd. De NRC-Publieksprijs en het Theaterfestival moeten samengevoegd worden tot één toneelfeest, waarin verschillende soorten producties lopen, zoals dat op filmfestivals als die van Cannes of Rotterdam allang gebruikelijk is. De vijf Greatest Hits van het voorbije seizoen in het Greatest-Hitsprogramma, de vijf experimenten in het Vernieuwingsprogramma en de vijf beste voorbeelden van jong talent in het Jonge-Heldenprogramma. Publiek dat een kaartje koopt voor het Greatest-Hitsprogramma kan voor half geld naar een voorstelling in een van de andere twee series. Op de slotdag deelt een jury een Festivalprijs uit en het publiek kent via een enquête een Publieksprijs toe. En beide kiezen uit alle categorieën, dus uit alle vijftien voorstellingen op het festival.

Zo'n festival laat het hele scala aan toneel zien, het laat zien dat het één bestaansrecht heeft naast het ander, en het zet een artistieke handtekening zonder dat het de meest geruchtmakende voorstelling van een seizoen negeert. Het Nederlands toneel is zo'n festijn dubbel en dwars waard.

Het Theaterfestival begint in België op 28 augustus en in Nederland op 4 september.

Bij deze festivals is de verzuiling nog geheel intact

Het imago van toneel is de laatste jaren sterk verbeterd