Moeder wordt al meteen vermoord

`Bent u zeker dat mijn vrouw zich in deze kist bevindt?'

Het zijn niet de dingen die je je wilt afvragen wanneer het lichaam van je echtgenote is weggezakt. Viktor, hoofdpersoon in de roman Blanco van Peter Terrin, heeft echter niet zoveel te willen. Na de moord op zijn vrouw vertrouwt hij niets of niemand meer. Hij wordt besprongen door gedachten die nog erger zijn dan haar dood: dat ze niet in de kist ligt; dat ze haar gestolen hebben. Opnieuw.

In de begrafenisscène waarmee het boek begint, laat Terrin het verdriet om de dode op de lezer neerdalen, door aandacht te vestigen op ogenschijnlijke kleinigheden die duidelijk maken dat deze dood er een is als geen ander. Zo wemelt het op de begraafplaats van de indringers, mensen die op de dag na een verregende Allerzielen hun eigen doden komen eren. In de familiesfeer zit het ook niet goed. De ouders van de overledene nemen elkaars hand vast, zoals ouders dat doen aan het graf van hun dochter, maar zij doen dat `heimelijk', alsof ze zich schamen voor hun samenzijn. Viktor zoekt steun bij iets wat nog wel deugt, de professionaliteit van de doodgravers: `De kuil had loodrechte wanden en was minstens twee meter diep, beslist geen eenvoudige klus. Hij knielde om goed te kunnen kijken. De wereld zou er stukken beter op worden als iedereen met trots en toewijding zijn werk uitvoerde.' Even verder toont Terrin dat de overledene niet alleen een weduwnaar achterlaat, maar ook een zoontje van negen, Igor.

De effectiviteit waarmee in deze roman de eerste klappen worden uitgedeeld, maakt dat je na tien pagina's Blanco al met een prangende vraag zit: hoe is het mogelijk dat de Vlaming Peter Terrin (1968) jaren nagenoeg onopgemerkt is gebleven in Nederlandse literaire kringen? Enig onderzoek leert dat het niet aan de kwaliteit van zijn werk ligt. Zijn verhalenbundel De code (in 1998 welwillend, maar sporadisch gerecenseerd) staat vol subtiel geschreven verhalen waarin de wereld zich doorgaans net iets gevaarlijker toont dan de hoofdpersonen verwachten. In de even goed geschreven roman Kras uit 2001 schuilt het gevaar niet in de buitenwereld, maar in de hoofdpersonen zelf. En het komt eruit, zij het op weinig subtiele wijze als drie hangbejaarden uit gezamenlijke frustratie een schoonmaakster verkrachten.

Misschien is het de stilte van de buitenwereld en misschien iets anders, maar de foto's van Terrin achterop zijn boeken zijn allengs grimmiger geworden. Op de achterkant van zijn debuut zien we een weliswaar niet vrolijke, maar vriendelijke jongeman met een bril die op dat moment al enige jaren uit de mode is. Kras toont een nadenkender pose en een moderner montuur. Achterop het kort voor de zomer verschenen Blanco prijkt de auteur op een gestileerde foto in donkere kleding, met korter haar, een nieuwe bril met een zwaar, zwart montuur. In zijn blik lijkt het wantrouwen de vriendelijkheid verjaagd te hebben. Komen die lezers nou nog?

Wantrouwen, mild uitgedrukt, is de drijvende kracht van Blanco. Na de dood van Helena raakt Viktor volledig geobsedeerd door veiligheid, van zijn zoon en van hemzelf. De beschermingsdrang begint redelijk onschuldig met het verlangen om de negenjarige per taxi voor de schoolpoort af te leveren, maar ontspoort al snel: Viktor huurt een privé-detective in om de gangen van Igors leraar na te gaan, want `welke gestoorde onzin kan een man in die machtspositie een gretig en argeloos kind niet wijsmaken?' En als de detective hem te opzichtig te werk gaat, posteert hij zichzelf voor de woning van de docent. Hij moet en zal zijn zoontje beschermen, hem wapenen. Op zijn tiende verjaardag krijgt het tot dan toe droevige maar brave kind een groot mes.

Ze eindigen met zijn tweeën thuis. Viktor ziet steeds een nieuw gevaar. De ramen worden betralied, op de ramen worden luchtfilters geplaatst zodat ze niet meer open hoeven. Voor de zekerheid sluit hij het kind op in zijn kamer en houdt zijn zoon met elektronische hulpmiddelen in de gaten: `Het gaf hem het gevoel dat het audiokanaal hen als een navelstreng met elkaar verbond, en dat hij de jongen daardoor onderhuids bereiken kon.'

Dat alles houdt Viktor tot het einde toe vol, in beslag genomen door de gedachte dat zijn zoon `nog lang niet klaar was voor de wereld waarin zijn moeder was vermoord'.

Er is best het een en ander aan te merken op Blanco. Zo verzet Viktors omgeving zich wel erg weinig tegen zijn isolatiedwang en eindigt de schoolloopbaan van Igor wel erg abrupt. Maar die ongeloofwaardigheden vallen in het niet bij de overtuigingskracht waarmee Terrin zijn held zichzelf en zijn zoon naar de ondergang laat leiden. Beschreven op een kalme toon die mijlenver verwijderd is van de paniek die de hoofdpersoon in zijn greep gekregen moet hebben, is Blanco zo een voorbeeldige vertelling over de kracht van angst. Daarbij veroorzaakt Viktors absurde gedrag het boek soms humoristische scènes, bijvoorbeeld wanneer hij hoog vanuit zijn raam schreeuwend een vrouw met een kinderwagen wil behoeden voor onheil dat alleen hij waarneemt.

De overkoepelende vraag van Blanco is uiteindelijk hoe je moet omgaan met die wereld waarin moeders worden vermoord, met het besef dat je je leven nooit zeker bent. De hoofdmoot van Terrins antwoord is dat de neiging om je met alle macht tegen de gevaren van die wereld te wapenen, uiteindelijk gevaarlijker is dan die wereld zelf. Dat heeft iets geruststellends, want hoe meer Viktor zelf de grootste bron van gevaar wordt, hoe minder risico je zelf loopt. Je raakt er steeds meer van overtuigd dat er vóór de dood van zijn vrouw al wat radertjes loszaten bij de held van het verhaal. Je gaat zijn rampspoed bijna zien als eigen schuld. En dus kun je zelf weer rustig gaan slapen.

Juist voordat die geruststellende gedachte werkelijk post kan vatten, komt Terrin met een opmerkelijke wending. In een tussenhoofdstukje krijgt Viktor nieuwe buren. Hij ontmoet ze niet, maar hoort ze alleen stampen boven zijn bepantserde appartement. Het zijn, zo blijkt, de twee potige mannen die enkele maanden eerder Helena hebben omgebracht. Met de gemoedsrust van de lezer is het daarna wel gedaan.

Het is een spel met reële en irreële angsten dat Terrin eerder toepaste in het openingsverhaal van De code, waarin een eenzame bejaarde vrouw bang is voor de buitenwereld, maar prompt bij de wasserette de eerste de beste man vertelt waar zij haar spaarcentjes heeft verstopt. De afloop laat zich raden en wordt dan ook niet uit de doeken gedaan.

In de loop van drie boeken is de angst bij Terrin steeds naderbij gekomen. Waar het genoemde verhaal in De code nog eindigt aan de vooravond van mogelijk onheil, heeft de grootste ramp zich in Blanco al bij het begin van het boek voltrokken. De volle omvang van de ellende wordt echter niet door de ramp zelf getoond, maar door de details waar Terrin de nadruk op legt: van de heimelijke handdruk tussen Helena's ouders tot het moment waarop Viktor zijn zieke zoontje het woord `veilig' meent te horen prevelen. Peter Terrin toont in Blanco bijna 200 pagina's lang hoezeer hij zijn stof meester is. Hij kan de toekomst met alle vertrouwen tegemoet zien.

Peter Terrin: Blanco. De Arbeiderspers, 186 blz. €16,95