Kleine pluizen van het toeval

`Woordenaar' noemt Frans Kuipers zichzelf . Hij doet dat in het zesde vers van de cyclus `Vught revisited' in Antjes lied en andere gedichten. Je kunt ook moeilijk een andere toekomst hebben met ouders die je de taal leren via bakerrijmpjes als `Pannetje, kannetje soepterrien,/ hoe ik ook kijk, ik kan mij niet zien'. Kuipers' moeder deed dat, en ook zijn vader liet zich niet onbetuigd als het om kreupeldicht ging. De magie van hun knittelverzen nestelde zich in het jongensbrein en, zoals Kuipers het zelf uitdrukt, `in de wereld ben ik geworden vandaar/ woordenaar woordenaar woordenaar'.

Een treffender typering is niet denkbaar. Woordenaar en bakerrijm zijn sleuteltermen voor de poëzie van Frans Kuipers. Het is, schrijft hij zelf:

Het is in mij zo'n rare, niet te rijmen

ratatouille

van vergeetmenietblauw en grafsteengrauw.

Kleurenkoks, nachtdagelijks gedroomhaald zijn wij;

in een regenboogoorlog verwikkelde krijgers totterdood.

Het is zo'n rare, niet te rijmen ratatouille

in mij

van zonsondergangpurper, huiveringsjade

en liefdesrood.

Hier spreekt de woordenaar. Elders in Antjes lied en andere gedichten klinkt de echo van menig kinderrijmpje, zoals in `Ik? Ben Hans van Dulle Griet. / Wijd is de zee en eeuwig haar lied'. En ook in ernstiger zin herleidt Kuipers zijn poëzie tot de geluiden van de eerste dag. `Ik hoor', schrijft hij, `het huis is gesloopt':

waar ik paars als de gevilde haas

in een meinacht laat,

heb geslaakt mijn borelingskreet.

En al mijn gedichten:

kinderen van die kreet.

Antjes lied en andere gedichten geldt als Kuipers' derde dichtbundel. In feite echter is het zijn achtste. Tussen 1965 en 1977 verschenen zijn eerste drie poëzieuitgaven bij de Stichting Opwenteling in Eindhoven. In 1979 volgde een bundel in de Windroos-serie en in 1980 een deel in de Yang-poëziereeks. Toch werd achttien jaar later zijn eerste bij uitgeverij Atlas verschenen bundel, Wolkenjagen, als was het een heus debuut genomineerd voor de Buddingh'-prijs. Niet helemaal ten onrechte, want het was een van de betere bundels van 1997. Dichten bleek voor Kuipers een synoniem van wolken jagen. Hij herkende zich dan ook in het schilderwerk van Jacob van Ruisdael, dat hij omschreef als `luchtkastelen,/ lichtspinsels, 't vrijgespookte/ roer-me-niet, de windvlugge geest'. Dit soort blijmoedige observaties, tussen droom en sprookje in, is Kuipers over het millennium heen trouw gebleven. In De tafel van wind (2001) voegde zich daarbij de toon van het bakerrijm en het aftelvers, en daarmee had de dichter, denk ik nu, definitief zijn register gevonden.

De nieuwe bundel bouwt zowel stilistisch als thematisch voort op de vorige. Antjes lied en andere gedichten bestaat uit drie reeksen: `Vught Revisited', `Narrenpad' en `Antjes lied'.

Vught en het narrenpad ontmoetten we al in De tafel van wind – maar terloops nog. In respectievelijk tien en zeven gedichten heeft Kuipers nu zijn geboortedorp en 's levens verdwazing in taal gezet. Niet alleen de thema's zijn toegespitst, ook de stijl is gerichter. De woordenaar geeft zijn lexicale hartstocht zeker nog de vrije teugel, maar slechts op welgekozen momenten. Er is ook geserreerde verstilling, zoals in het slotvers van `Narrenpad' dat Botshol in juli 2002 beschrijft:

Wat blijft is de weide waarin

hun kleine bazuinen ten hemel geheven

blinkend, geel en veel,

de boterbloemen staan. Wat blijft

is de wind op de grasharp spelend.

Onder het dorre blad van de dovenetel,

in windsels als een mummie, de mug

meedeinend in de flard van een web.

Wat blijft is wolkenherders hemellicht,

het bankroet van alle benul.

Tot in je goudzwijgen verbabeld

jij die uit de onzee komt.

De laatste regel verwijst naar de relatie tussen zee en zotheid (denk aan het narrenschip) die vanaf het eerste vers in de cyclus `Narrenpad' een rol speelt. Ook in de rafelrand van de taal, waarin deze poëzie lijkt te huizen – ook in die rafelrand is er een helder referentiekader. Kuipers houdt schrijvende zicht op het wordingsproces van zijn verzen, zoals al bleek in het interview met Marjoleine de Vos in het Cultureel Supplement van 25 juli jl.

De natuurobservaties verdienen aparte aandacht. De boterbloemen bij Botshol zijn een pregnant voorbeeld van Kuipers' poëtische blik, maar geen uitzonderlijk voorbeeld. Fraai ook zijn de `Stuifmeelschoenen aan hommelpoten' en `de weide waarboven / de kleine pluizen van het grote toeval stoven'. In Antjes lied en andere gedichten gaan poëtische hartstocht en precisie wonderwel samen. Dat is intrigerend, verrassend en bij tijden verbluffend.

Frans Kuipers: Antjes lied en andere gedichten. Atlas, 63 blz. €13,50