`Ik heb altijd mijn klewang nog'

Overlevenden van de Japanse bezetting van Nederlands-Indië voelen nog steeds dat hun leed niet voldoende is erkend. Twee boeken over arbeiders aan de Birma-spoorlijn halen de geschiedenis naderbij.

Alle ambassades hadden ze gebeld, zeiden ze bij telecombedrijf Telfort. Om te vragen of 15 augustus, de dag dat het bedrijf in het kader van een reclamecampagne zoveel mogelijk Nederlandse vlaggen wilde laten wapperen, niet toevallig een gevoelige datum was voor een land als Zweden of Spanje. Dat het een gevoelige datum is voor een grote groep Nederlanders was hen ontgaan.

De tragiek van de Indische gemeenschap in een notendop. Zestig jaar na dato nog steeds moeten knokken om het leed erkend te krijgen. De jaarlijkse herdenking van de Japanse capitulatie op 15 augustus 1945, en daarmee het einde van de Tweede Wereldoorlog in Azië, heeft geen nationale bekendheid. De kans dat 15 augustus ooit in de buurt komt van 4 mei is niet groot.

Nog zo iets. Eind volgende week, op 30 augustus, worden de Nederlandse slachtoffers van de Birma-spoorweg herdacht op het landgoed van het Koninklijk Tehuis voor Oud-Militairen Bronbeek in Arnhem. Die datum is nieuw, voorheen vond de plechtigheid plaats op 30 juni. Het was een van de acht Indische herdenkingen (jongenskampen, vrouwenkampen) die verspreid door het jaar plaatsvonden op Bronbeek. Maar Defensie moet bezuinigen en het werd te duur om de grote tent steeds opnieuw op te bouwen en af te breken. Daarom zijn alle herdenkingen voortaan in twee weken geconcentreerd. De tent kan nu blijven staan.

Spreker bij de komende herdenking is de journalist Tony van der Meulen, auteur van het boek Dansen op de Kwai. Het leven na de Birma-spoorweg. In een van de hoofdstukken van dat boek beschrijft Van der Meulen, hoofdredacteur van het Brabants Dagblad, zijn bezoek aan de herdenking van vorig jaar. Hij hanteert daarbij de juiste toon, tussen luchtigheid en empathie. Temidden van de ex-dwangarbeiders, oude mannen met een gemeenschappelijk verleden, voelt Van der Meulen zich `een soort ramptoerist, een pottenkijker, wellicht ook een indringer in hun verschrikkelijke herinneringen'.

De `Dodenspoorweg' wordt hij ook genoemd. Aangelegd tussen september 1942 en december 1943, dwars door de jungle van Thailand (toen: Siam) en Birma (nu: Myanmar). Een tracé van 415 kilometer, tussen Non Pladuk, ten oosten van Bangkok, naar Thanbyuzayat aan de Birmese kust. Het was de ontbrekende verbinding tussen twee bestaande lijnen: aan de Thaise kant via Bangkok naar Singapore en Saigon, aan de Birmese kant langs de kust omhoog naar Rangoon. Voor de Japanners was het de schakel tussen de Zuid-Chinese Zee en India, noodzakelijk om het Japanse leger in Birma te kunnen bevoorraden.

Olifanten

Voor de aanleg was weinig tijd, maar mensen waren er in het door Japan bezette deel van Azië genoeg. In alle omringende landen werden mannen geronseld, de romusha's, vaak onder valse voorwendselen. Daarnaast werden geallieerde krijgsgevangen ingezet. Over de aantallen wordt gesteggeld, maar een gangbare telling gaat uit van 160.000 romusha's en 61.000 krijgsgevangenen. De sterfte onder de romusha's was extreem hoog: van hen overleed meer dan tachtig procent. Van de 18.000 Nederlandse KNIL-militairen en dienstplichtigen uit Nederlands-Indië die aan de spoorlijn te werk werden gesteld, bezweken er 3.098. De Birma-spoorweg werd een van de symbolen van de Japanse wreedheid tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Van der Meulen is meer geïnteresseerd in de huidige toestand van spoorlijn en dwangarbeiders dan in geschiedschrijving. Zijn aanpak is journalistiek, waarbij zijn reportages meer indruk maken dan de hoofdstukken waarin hij achter het bureau verzamelde wetenswaardigheden presenteert. In beide gevallen schrijft hij nogal los uit de pols, springerig, en is zijn licht sarcastische toon soms vermoeiend. We leren dat de brug die in de finale van de film The Bridge on the River Kwai wordt opgeblazen, in acht maanden tijd werd gebouwd door honderden Sri Lankanen en 48 olifanten, en dat daarvoor 1500 bomen werden gerooid. Het raadsel van de twee rivieren met lange Thaise namen die sinds de film bekend staan als de handzame `River Kwai' wordt opgelost. In de controverse rond Wim Kan, die met zijn optredens voor verlichting zorgde maar zelf door goed contact met de Japanners wist te ontkomen aan het zware werk, houdt Van der Meulen zich keurig op de vlakte.

Het aardigst zijn de reportages over twee reizen naar de spoorlijn in 1985 en 2002. In het Thaise Kanchanaburi herinnert alleen nog een erebegraafplaats aan het verleden. Voor het overige blijkt de plaats van De Brug een lawaaiige toeristenfuik, met discoboten, mobieltjes, touringscars en een Eftelingtreintje. Weinig opwekkend, maar het had nog erger gekund. In 1990 werd een plan van een Thaise zakenman door protesten van veteranen en de Australische premier Bob Hawke verijdeld. Het leek de man leuk om, bij wijze van attractie, verklede acteurs als Japanners en gevangenen in de trein over de brug te laten rijden.

Fotograaf en historicus Jan Banning heeft een aantoonbare band met zijn onderwerp. Zijn opa werkte aan de Birma-spoorweg, zijn vader aan de veel minder bekende Pakanbaroe-spoorweg op Midden-Sumatra. In Sporen van oorlog. Overlevenden van de Birma- en de Pakanbaroe-spoorweg legt Banning, net als Van der Meulen, een relatie tussen heden en verleden. Dat laatste doet hij door middel van een in Nederland weinig beoefende vorm van geschiedschrijving, oral history. In het voorbeeldig uitgegeven boek komen 24 mannen aan het woord, vijftien Nederlanders en negen Indonesiërs, die vertellen over hun ervaringen als dwangarbeider aan de twee spoorwegen, en wat die ervaring sindsdien met hen heeft gedaan. Het heden komt aan bod in hun portretten. De mannen zijn gefotografeerd met bloot bovenlijf, zoals ze destijds hebben gewerkt. Banning wil laten zien wat daarvan de sporen zijn.

Het is een gewaagd project, dat zeer goed uitpakt. Het had gênant kunnen zijn, of pathetisch, maar het werkt. Door hun naaktheid wordt de kloof tussen nu en toen gedicht. Met kleren aan was het een verzameling oude mannen geweest. Nu zie je deze mannen zweten in de jungle, ook al waren ze toen twintig in plaats van tachtig. Je gaat op zoek naar details in die afgebladderde lichamen. In de gezichtsuitdrukkingen overheerst trots, wellicht zowel op het feit dat ze het hebben overleefd als op hun deelname aan dit project.

De verhalen lopen sterk uiteen. De een heeft nergens last van, de ander heeft nog bijna dagelijks nachtmerries. Iemand heeft moeite met een geadopteerde Koreaanse jongen die in zijn dorp woont, een ander geeft voorlichting aan Japanse scholieren. Aan zo'n houding zijn de meesten niet toe. Willem Wildeman ,,kan nog altijd geen Japanner zien''. Hij rijdt wel in een Toyota, want dat zijn hele goeie auto's. ,,Maar ik voel me altijd nog een beetje zondig''. Ferrie Portier, die zijn ongelooflijke belevenissen opdist in de aanstekelijke taal van een kwajongen, heeft een maand geleden, op aandringen van vrouw en kinderen, zijn revolver in de Rijn gegooid. ,,Maar ik heb mijn klewang nog hier, onder het bed.''

Erkenning

De ouwetjes moeten ophouden met zeuren over gebrek aan erkenning, schreef `Indische dochter' Amanda Kluveld afgelopen dinsdag in haar column in deze krant. Haar dringende advies aan de veteranen: `Maak u niet langer afhankelijk van het begrip van de Nederlandse samenleving. Herdenk op 15 augustus uw geliefden em verdrijf uw slachtofferschap'. Al eerder keerde zij, en dat vergt lef voor iemand `van binnenuit', zich tegen de gekrenkte trots en het ressentiment in de Indische gemeenschap. Iets voorzichtiger zegt Indië-publicist Wim Willems eigenlijk hetzelfde in zijn nawoord in het boek van Banning. Hij constateert dat de eerste generatie Indische Nederlanders, met de nadruk op slachtofferschap, alleen oog heeft voor de eigen situatie.

Er is veel bereikt, de afgelopen jaren. Er is een monument, Het Indisch Huis functioneert eindelijk naar behoren – de foto's van Jan Banning worden er nu geëxposeerd. De individuele bedragen van Het Gebaar, waarmee de regering het kille beleid van Nederland jegens de Indische gemeenschap compenseert, zijn uitbetaald. Het enige wat nog rest is die eeuwige klacht: jullie weten niet hoeveel wij geleden hebben. Bij elke Indië-herdenking proberen oude mannen in blauwe blazers met medailles op hun borst ons dat duidelijk te maken. Vergeefs. Het is een wegebbend ritueel dat uitsluitend betekenis heeft voor de direct betrokkenen. Die mannen zijn een curiosum, hun verleden is collectief en anoniem. De mannen van Jan Banning daarentegen, met hun ontblote bovenlijf, zijn individuen, elk met een eigen verhaal. Anders dan de mannen in blazers nodigen zij wel uit om na te denken over wat ze hebben meegemaakt.

Tony van der Meulen: Dansen op de Kwai. Het leven na de Birma-spoorweg. Veen, 2003. 205 blz.€17.70

Jan Banning: Sporen van de oorlog. Overlevenden van de Birma- en Pakanbaroe-spoorweg. Ipso Facto, 2003. 144 blz. €25,–

De expositie `Sporen van de oorlog' met de foto's van Jan Banning is t/m 26 oktober te zien in Het Indisch Huis, Javastraat 2-B, Den Haag