Humanitair oorlogsrecht

Oud-minister van Defensie Robert McNamara blikt in zijn artikel `Bij het omverwerpen van de vijand is niet alles geoorloofd' (NRC Handelsblad, 11 augustus) terug op het Amerikaanse slotoffensief op Japan. Zijn opvallende constatering daarbij is dat er een dringende behoefte bestaat aan ,,een heldere, internationaal aanvaarde code, zodat niet alleen ons Congres en onze president, maar ook al onze militairen en ambtenaren weten wat bij conflicten wettig en onwettig is''. Opvallend, omdat McNamara's oproep het bestaande normatieve kader miskent dat gesteld wordt door het humanitair oorlogsrecht. De kern van het humanitair oorlogsrecht wordt gevormd door de vier Verdragen van Genève uit 1949 en de Aanvullende Protocollen uit 1977, die oorlogvoering in zowel internationale en interne conflicten aan banden legt. Vrijwel alle landen ter wereld, waaronder de VS, zijn partij bij deze vier Verdragen en een groot deel van de aanvullende regels is inmiddels bindend gewoonterecht geworden.

Ongeacht de beweegredenen van oorlogvoering, beschermt het humanitair oorlogsrecht degenen die niet meevechten, zoals de burgerbevolking, en beperkt het de methoden en middelen van oorlogvoering. De vragen die McNamara van wezenlijk belang acht, bijvoorbeeld omtrent de wettigheid van een massale aanval op burgers en het gebruik van ontbladeringsmiddel Agent Orange, vinden in het humanitair oorlogsrecht dan ook reeds een antwoord. Directe aanvallen op burgers en burgerobjecten, alsmede aanvallen die ernstige schade toebrengen aan het milieu, zijn oorlogsrechtelijk verboden. Dat de oud-minister van Defensie de VS oproept om partij te worden bij het Statuut van het Internationale Strafhof is dan ook een welkome bijdrage aan de inspanningen om dit Hof universeel ondersteund te krijgen.