Gevaar voor de democratie

Het is een scène in een film van Ettore Scola, denk ik. In ieder geval een incident waarvoor zijn geest toegankelijk is. Vier Italiaanse jongens van een jaar of achttien zitten op het strand van Ostia om een koffergrammofoon, een apparaat met een slinger. Ze draaien een plaat met de redevoeringen van Hitler. ,,Ik versta er niks van, maar het klinkt prima'', zegt er een. Dat zijn de anderen met hem eens. Ik veronderstel dat deze jongens keurige democraten waren en misschien nog wel zijn. Als ze hadden verstaan wat daar gezegd werd, hadden ze gauw een andere plaat opgezet. Daar blijkt dan uit dat het bij welsprekendheid niet alleen om de inhoud gaat. Net als in poëzie: de woorden kunnen `zich loszingen van hun betekenis'. Er zijn culturen waarin dat beter gaat dan in andere. Dat komt omdat het daar tot de opvoeding hoort.

Jaren geleden zag ik een documentaire over de manier waarop in Amerika kinderen die zich, door wat dan ook, minder voelden dan de meeste kinderen, tot besef van waardigheid werden gebracht. De vrouw die dat deed, liet zo'n kind iets vertellen, het hinderde niet wat. Dit kind begon met een geknepen stemmetje, aarzelde vaak, keek `weg', stond een beetje gebogen. ,,Je moet harder praten, me aankijken en rechtop staan'', zei de vrouw. Dat kostte het kind de grootste moeite. De vrouw toonde engelengeduld. Ook al omdat het een Amerikaanse film was, liep het goed af. Het was ontroerend, te zien hoe de kleine verschoppeling in een weerbaar wezen veranderde, geen opscheppertje, maar iemand die zich niet meer impliciet, door stem en houding, verontschuldigde voor zijn aanwezigheid.

Zo begint het. En dan continueert zich vanzelf een cultuur waarin de welsprekendheid – het als van nature de woorden op de goede rij zetten en die op hetzelfde ogenblik zonder eh-eh met de vereiste kracht naar buiten brengen – tot de gebruikelijke vaardigheden hoort. Zo komt het dat je in Frankrijk en Amerika zulke meeslepende politici, advocaten, acteurs hebt. Al versta je geen woord Frans of Engels, dan nog is het een plezier om die mensen aan de slag te zien. In veel Amerikaanse films komen rechtszaken voor. Objection your honour! begrijpt langzamerhand iedereen. Maar het genadeloos kruisverhoor van een getuige, de beraadslagingen van de jury, het requisitoir? Hindert niet, het blijft goed.

Nu nadert ook in Nederland het ogenblik waarop het seizoen aanbreekt. Uitmarkt, troonrede, algemene beschouwingen, Barend, Van Dorp en Mulder, overal zal weer in het openbaar worden gesproken. Beschouw het allemaal als democratische bijdrage tot de behartiging van het algemeen belang, maar het is méér. Het is, met twee korte pauzes, de langste en grootste publieke voorstelling. Het volk, u en ik, we willen terwijl onze belangen worden behartigd en onze opinie gevormd, daarin worden meegesleept. Duidelijkheid en daadkracht op de planken, of we het er mee eens zijn of niet.

Ik zie er tegenop. De Nederlandse welsprekendheid heeft drie vijanden. De eerste, de traditionele, is de nationale drang naar consensus. In een land waar veel partijen naast elkaar bestaan, moeten ze compromissen sluiten om de zaak regeerbaar te houden. Dat is klassiek uitgelegd door Arend Lijphart in zijn Verzuiling en pacificatie in de Nederlandse politiek. Daarom zul je in de Tweede Kamer nooit een gezonde vechtpartij zien uitbreken. De afgevaardigden kunnen elkaar diep in hun hart verachten, maar ze horen tot partijen die het eens moeten worden. Daarom is het politiek Nederlands zo rijk aan eufemismen. Vroeger noemde ik het gewatteerd Nederlands, nu geloof ik dat kronkel-Nederlands een beter woord is.

De tweede vijand is de wens van vrijwel ieder publiek persoon om zich te profileren. Zal wel door de televisie komen. Gewoon bekend worden. Omdat dit niet gaat door het scherp aanvallen of het verdedigen van markante, onherroepelijke standpunten (wegens consensusdwang) proberen ze het met versieringen, het leuk uit de hoek komen, creatieve beeldspraak, kwinkslagen. Dit wordt ook in deskundige kringen nog niet goed begrepen, maar als er iets antiproductief is, dan wel het schouw/hoorspel van een Nederlandse politicus die zijn eigen pogingen tot retorische prestaties probeert te versieren. Niet doen. Gewoon duidelijkheid met daadkracht is goed genoeg.

En dan de derde vijand. Het lachen. Nergens in het openbare leven wordt zoveel afgelachen als in het Nederlandse. De schaterlach, de bulderlach, de stuiplach, de slappe lach, de hiklach, de valvanjestoellach – verstijfd zit je aan de televisie. Waar gaat het over? Bezuinigingen.

Mijn stelling is dat het gebrek aan retorisch kunnen niet zomaar een vraagstuk is dat tot de opvoeding en literatuur beperkt blijft, maar dat het democratisch besef van het hele volk erdoor wordt aangetast.