Geen stroom, wel drank, geen eten

Arnon Grunberg was in New York tijdens de blackout op 15 augustus en zat 29 uur zonder stroom.

NEW YORK. Het was iets na vier uur in de middag, ik werkte aan een column voor het maandblad van Amnesty International.

Gedurende vijf minuten leek het alsof ik peertjes van tien watt in mijn lampen had gedraaid in plaats van de zestig watt die de huisbeheerder had aanbevolen.

Het rode lichtje van mijn fax en antwoordapparaat knipperde nog even door. Achtendertig berichten die ik niet had gewist.

Ook in de badkamer had ik opeens te maken met romantische sfeerverlichting. Alleen de ventilator draaide niet, ook niet in slow motion.

Na dit merkwaardige voorspel ging de stroom definitief uit. Op kousenvoeten liep ik de gang op, de lift deed het niet meer. Anderen waren dus ook getroffen, dat stelde me gerust.

Na nog een kwartier ging ik naar buiten. Ik had twaalf dollar en nog wat muntjes. Het pinnen had ik uitgesteld tot de avond. Ik houd van geldautomaten in de nacht.

Op de stoep kwam ik mijn buurman tegen, een Italiaan die met zijn tweede vrouw naast mij woont. ,,Het hele blok heeft geen stroom'', zei hij.

Bij Francia, een Koreaans theehuis dat ik frequenteer, wisten ze meer. ,,De hele stad heeft geen stroom. Maar het is geen terrorisme.''

IJsthee werd voor één dollar verkocht. Het ijs smolt. Er was haast bij.

Over Park Avenue liep een indrukwekkende stroom voorbijgangers. De metro deed het natuurlijk ook niet meer. Af en toe kwam een overvolle bus voorbij.

Beelden die herinnerden aan een warme en vrijwel wolkenloze dinsdag in september.

Je kunt van die dinsdag zeggen wat je wilt maar we hadden toen wel stroom.

Het mobiele netwerk was ingestort. Voor telefooncellen vormden zich rijen, maar gezien de omstandigheden bleef men beschaafd.

Een dakloze riep hard ,,blackout''. En zwaaide daarbij flink met zijn armen. Alsof hij een afgod aanriep.

Bij het invallen van de schemering liep ik naar huis. Op calamiteiten ben ik slecht voorbereid. Toen Tom Ridge, de minster voor Veiligheid, advertenties plaatste waarin werd opgeroepen een zaklantaarn te kopen, een EHBO-doosje, en voedsel en water voor drie dagen, scheurde ik de advertentie uit en lachte.

In een kast vond ik twee blikken ananas die een vriendin had achtergelaten, honing, koffie en nog wat olie.

Tegen de tijd dat de duisternis lezen onmogelijk maakte wandelde ik naar een hotel om de hoek waar ze, verwachtte ik, wel iets georganiseerd zouden hebben.

Inderdaad, op een noodgenerator brandden enkele lampen. In de bar op de eerste verdieping het gebruikelijke tafereel: gestrande forensen.

Er was wel drank, geen eten.

En er waren geruchten. Om elf uur zouden we weer stroom hebben, de bliksem was ergens ingeslagen, en op de luchthavens waren mensen over de bagageband naar buiten gekropen op zoek naar hun bagage.

Vooral die mensen die over de bagageband kropen troffen mij. Ik heb er later niets over gelezen in de krant, dus het was misschien een vals gerucht, maar het maakte de ernst van de situatie goed duidelijk.

Creditcards werden niet geaccepteerd. Ik bestelde een glas witte wijn en raakte daarmee de helft van mijn vermogen kwijt.

Naast mij zat een man met een baard, een jaar of vijftig. Hij zag eruit alsof hij het op een drinken had gezet zodra de stroom was uitgevallen.

,,Waar woon je?'' vroeg hij.

,,Om de hoek.''

,,Geluksvogel'', zei hij. ,,Ik kan naar mijn kantoor gaan, negentien verdiepingen omhoog klimmen, en dan in een veel te heet kantoor proberen te slapen, of ik kan naar mijn zoon gaan die op de tiende straat woont, maar ik kan hem niet bereiken.''

,,En je vrouw?''

,,Die zou het niet erg vinden als ik dood was.''

Ik vroeg niet verder, en daarop probeerde de man mij nog een kwartier te intimideren.

Met agressieve dronkaards is het als met de rest van de mensen, je kunt ze het beste naar de mond praten.

Daarom zei ik toen het me te gortig werd: ,,Ik ben bereid voor je te sterven, als het moet vanavond nog.''

Persoonlijk vind ik dat ik wel briljantere dingen in mijn leven heb gezegd, maar hij staarde me even aan en zei toen: ,,Jij bent fucking smart. Misschien zien we elkaar nooit weer, maar jou zal ik niet snel vergeten.''

Daarop ging hij weg, om ergens in Bryant Park te slapen.

Een meisje dat uit Wall Street was komen lopen ging naast me zitten. Ze was niet mooi maar wel gelovig. Om de haverklap sloeg ze een kruis.

Met twee vreemdelingen ging ze een hotelkamer delen omdat ze geen zin had zeven uur naar huis te lopen.

Ondanks haar geloof hing er een kleine orgie in de lucht en ik verwijderde me beschaafd.

Park Avenue was in duisternis gehuld. Je had twee soorten mensen. Zij die met zaklantaarns rondliepen en zij die het zonder deden.

Voor mijn huis hadden de bewoners zich verzameld met kaarsen en chips.

,,Kom erbij zitten'', riepen ze, maar ik vond dat ik mijn journalistieke plicht niet kon verzaken. ,,Ik moet een avondwandeling maken'', riep ik.

Wanneer het licht van een voorbijganger met zaklantaarn voldoende was, ontwaarde ik her en der goed geklede mensen die op straat bezig waren aan een dutje. Het verschil tussen dakloos en niet-dakloos was weggevallen, vandaar dat deze nacht anders was dan alle andere nachten.

Een enkele bar, L'Express bijvoorbeeld, was open en lawaaiig. Daarom ging ik naar huis. Ook in de duisternis moet het een beetje stil zijn.

Tastend liep ik de trap op. Twee buurvrouwen grepen me per ongeluk vast.

In mijn appartement vond ik na enig zoeken lucifers en stak een kaars aan die sinds 1997 werkeloos op de schoorsteenmantel staat.

Ik zette de ventilator aan, en dacht: `als we midden in de nacht stroom hebben, word ik gewekt met zoete wind'.

's Ochtends draaide de ventilator nog altijd niet.

Aangezien ik geen zakspiegel kon vinden, schoor ik me in de badkamer bij kaarslicht.

Je moet er zo toonbaar mogelijk uit blijven zien.

In het hotel om de hoek was er alleen eten voor hotelgasten.

Ik liep rond, zag een rij voor een bakkerij annex koffiehuis, en merkte op dat mensen met stukken brood en zelfs koffie naar buiten kwamen.

Die rij moet ik hebben, dacht ik.

Er kwam maar langzaam beweging in de rij, en uiteindelijk stond ik in een volle en vrijwel donkere bakkerij. Er brandden waxinelichtjes.

Ik maakte me zorgen, want ik was niet onbekend met het fenomeen woekerprijzen en ik had maar zes dollar.

Hoe dieper we in de donkere bakkerij geraakten hoe samenzweerderiger de stemming onder de klanten.

,,Wat hebben ze nog?'' vroeg een man achter me. ,,Hebben ze nog iets?''

,,Ik kan het niet zien'', zei ik. Naar waarheid.

Iemand anders zei: ,,Ze hebben nog oud brood en koffie.''

Dat oude brood viel mee, ze hadden ook oude bagels. En hier kan ik getuigen dat de mensheid niet geheel verdorven is.

Geen woekerprijzen. Voor iets minder dan drie dollar schafte ik een oude bagel aan, een plastic mes, wat zachte boter in hotelverpakking en koffie.

Intens tevreden smikkelde ik de bagel op, gezeten op het parket in mijn woonkamer. Daarna ging ik bij het raam zitten met een boek.

De dag vorderde, en rond vieren kreeg ik honger.

Ik vond het onverantwoord die drie dollar die ik nog had uit te geven. Mensen hebben me later gevraagd: ,,Waarom ging je niet pinnen?'' Kijk, de geldautomaat werkt niet op diesel.

Natuurlijk overwoog ik iemand om hulp te vragen, een appel te lenen of een stuk kaas.

Maar dat stond me fysiek tegen. Een merkwaardig soort koppigheid kwam over me. Zo'n inbreuk mocht de blackout niet op mijn trots maken.

Er is wel meer over de blackout te zeggen, ik heb nog een paar visioenen gehad.

In ieder geval heb ik een vermoeden hoe ik me zal gedragen bij het uitbreken van de oorlog: ik zal bij het raam zitten met een boek.