Couscous als een schot hagel

Voor Franse schrijvers van Noord-Afrikaanse afkomst is geen eer meer te behalen met treurige thema's als het armoedige leven in de buitenwijken van de grote steden. Grotere, universelere onderwerpen als ballingschap, weemoed, nostalgie en maatschappelijk engagement staan nu op het programma.

`Banlieues' – een Frans woord met een negatievere bijklank is inmiddels nauwelijks denkbaar. De `banlieues', de buitenwijken van een grote stad, zijn getto's waar een verstandig mens zich niet vertoont: het is in de volksmond, maar ook in de media, synoniem met misdaad en geweld, met roofovervallen en uitschot van de samenleving, met straatterreur en – impliciet – met agressieve jongeren, wier ouders of grootouders veelal uit Noord-Afrika naar Frankrijk zijn geëmigreerd. Wie kent niet de krantenberichten over met messen bedreigde leraren, over brandstichting, verkrachting en op veldslagen uitgelopen knokpartijen?

In Platform liet Michel Houellebecq er zijn bereisde, kapitaalkrachtige hoofdpersonen een exclusief restaurant bezoeken, niet zonder te suggereren dat bij iedere slok grand cru wel iemand vlak in de buurt op een gewelddadige manier werd beroofd – als het tenminste niet erger was. Schrijfster Lydie Salvayre situeerde verscheidene van haar romans in de banlieues van Parijs: in één ervan krijgt een door waanbeelden bevangen vrouw het stevig aan de stok met een deurwaarder die haar waardeloze bezittingen in beslag komt nemen, in een andere maken verwende toeristen die op een charitatieve kick uit zijn een reis langs Europa's sloppenwijken.

De banlieue was tot voor kort een prominent thema in de Franstalige, door Algerijnse en Marokkaanse auteurs geschreven literatuur. Niet vreemd: de eerste generaties immigranten uit Noord-Afrika vestigden zich veelal in de buitenwijken van de grote steden. Daar ontstond een intens gemeenschapsleven, daar kwamen allerhande talenten tot bloei. Ook literaire. Daar ook ontstonden de eerste incidenten, daar liep het als eerste uit de hand.

Onlangs nog verscheen daarover het schokkende boek van Samira Belil, Dans l'enfer des tournantes, waarin de jonge vrouw, bij wijze van therapie, verslag doet van de verkrachtingen waarvan zij in haar banlieue het slachtoffer van was geworden en van de hel waarin zij daarna terechtkwam. Schaamte, stilte, onmacht – tot een andere reactie bleek haar directe omgeving niet in staat. Belil schrijft over het circuit van hulpverleners waarin ze belandde, over de sensatie die haar verhaal in de media veroorzaakte, over vrouwengroepen die met haar aan de haal gingen – het is het relaas van een geknakt leven dat langzaam weer iets van veerkracht krijgt.

Het zijn dit soort in de openbaarheid uitgemeten drama's die zout strooien in de toch al zo schrijnende wond die in Frankrijk Algerije heet. President Chirac mag dan onlangs een historisch bezoek aan zijn Algerijnse collega hebben gebracht, het gewelddadige koloniale verleden is nog allesbehalve vergeven en vergeten. Frankrijk doet nu pogingen om ook met de minder glorieuze kanten van deze geschiedenis in het reine te komen. Ook doet Frankrijk zijn best om de culturele banden te versterken. Daarom werd op initiatief van de Franse en Algerijnse regeringen het jaar 2003 uitgeroepen tot het jaar van Djazaïr, l'Algérie. Door middel van honderden exposities, concerten, symposia, toneelstukken en andere culturele bijeenkomsten in het hele land worden de culturele en intellectuele relaties uitgediept. De Salon du Livre in Parijs had dit voorjaar een flink stuk van zijn oppervlakte ingeruimd voor Algerijnse literatuur en de jaarlijkse literaire najaarsmanifestatie, Les belles étrangères, heeft als thema Algerije.

In de jaren tachtig was de situatie heel anders. Men leefde nog in de nadagen van de Algerijnse onafhankelijkheidsstrijd en de nieuw aangekomen Algerijnen in Frankrijk waren doorgaans tweederangs burgers. Het wederzijds wantrouwen en de aversie heersten. Deze moeizame relatie was nauwelijks onderwerp van openbare discussie. Met het literaire imago van de banlieues was het toen ook heel anders gesteld. Men sprak van een `culture des banlieues', van een `culture beure', benamingen die weliswaar vooral werden gebruikt om een ethnische bevolkingsgroep – die van de Maghreb, Noord-Afrika – aan te duiden, maar die literair en cultureel gezien (nog) niets depreciërends of dubieus' hadden. De term, gelanceerd door nakomelingen van de eerste generatie immigranten uit Marokko en Algerije, ontstond uit het `verlan' van het woord `arabe' (verlan is een soort argot waarbij woorden van achter naar voren worden uitgesproken).

Toen in 1981 Radio Beur de lucht in ging, schepten jongeren uit de Maghreb er zelfs een eer in zichzelf `beur' te noemen: ze legden daarmee de nadruk op hun eigenheid, op hun specifieke Noord-Afrikaanse afkomst. De `littérature beure' beschreef nauwkeurig en waarheidsgetrouw het leven van immigranten uit de Maghreb in die jaren: dat van gastarbeiders, ingehuurd voor het zware of vuile werk. De hoofdpersonen leken op de werkelijke helden die voor hen model hadden gestaan.

Eén van de eerste succesvolle `romans beurs' was Le gone du chaâba uit 1986, de debuutroman van de in Frankrijk uit Algerijnse ouders geboren Azouz Begag. De achterflap vermeldt trots dat de auteur, geboren in een sloppenwijk buiten Lyon, het tot doctor in de economie heeft geschopt – `een parcours dat gerust geslaagd genoemd mag worden'. Hij heeft inmiddels ruim twintig titels op zijn naam staan. Le gone du chaâba (gone betekent jongen in het argot van Lyon en chaâba verwijst naar het Arabisch voor dorp) is een vrolijk boek. Het is het autobiografische verhaal van een oorspronkelijk uit Algerije afkomstige jongen die met zijn familie de Algerijnse misère is ontvlucht en in Frankrijk een nieuw bestaan opbouwt: eerst in een uit golfplaten opgetrokken hutje in de sloppenwijken, later in de flats van de Lyonese banlieues. De mannen werken in de bouw of in een fabriek, de vrouwen houden het huishouden draaiende en maken de hele dag ruzie, de kinderen schooieren na schooltijd rond op de afvalstortplaats of verdienen wat bij op de markt in Lyon.

Het lijkt erop dat het Algerijnse dorpsleven integraal is overgeplaatst naar de Franse sloppenwijken: de besnijdenis is er nog steeds een groots evenement, er wordt ritueel geslacht en de hiërarchie tussen de families is er net als aan de andere zijde van de Méditerranée. Maar er is één wezenlijk verschil: de jeugd heeft een toekomst. De zoon van de analfabete metselaar leert lezen en schrijven en wordt de beste van de klas: hij zal het beter hebben dan zijn vader. Le gone du chaâba is een bildungsroman, waarin de jongen een eigen identiteit probeert te ontwikkelen – ingeklemd tussen die van zijn ouders en die van de maatschappij waarin hij terecht is gekomen. Natuurlijk doemen de eerste problemen met de Franse overheid al op: de visa, de werkvergunningen, een inval van de politie – Begag is geen idealist, ook niet in zijn debuut. De wederzijdse vooroordelen tussen Arabieren en Fransen schemeren op iedere bladzijde door: niet voor niets krijgt zijn hoofdpersoon een `pied noir' als leraar (een noodgedwongen, na de onafhankelijkheid uit Algerije teruggekeerde Fransman), waarmee alle elementen voor etnische en culturele spanning aanwezig zijn. Toch behoudt het boek een ijzeren optimistische toon.

Inmiddels is er geen schrijver uit de Maghreb meer die de term `beur' zal bezigen of die in ernst zal spreken van een `littérature des banlieues': het zijn besmette woorden geworden, die nu worden opgevat als eufemismen voor de problemen rond immigratie en integratie.

Voor welke thematiek, voor welke literaire vorm kiezen de Maghreb-auteurs in hun recente werk? En hoe komen de banlieues er vanaf?

Het is zeker dat zij zich losweken uit de problematiek van de banlieues. Vroeger hield een Maghreb-auteur zich bezig met pragmatische problemen van het leven van toen en daar: `vers uit Noord-Afrika' en hoe nu verder? Nu emanciperen zij zich en nemen universeler thema's bij de kop. Wie wil er nog met dat soort `ouderwetse' literaire ellende geassocieerd worden? Met de banlieue, hoe exotisch ook, is geen eer meer te behalen. Ballingschap, het leven tusssen culturen, botsingen tussen religies, weemoed en nostalgie, maatschappelijk engagement en autobiografie – dat zijn de literaire thema's waar zij zich op werpen.

In zijn meest recente roman, Gare du Nord, laat Abdelkader Djemaï, die in eerdere romans fel uit de hoek kon komen, drie gepensioneerde ex-gastarbeiders aan het woord die vijftig jaar lang maandelijks hun salaris naar hun familie in Algerije hebben gestuurd. Inmiddels zitten ze in een bejaardentehuis in Parijs, `Foyer de l'Espérance', waar melancholie koning is. Weemoedig memoreren ze de films die ze ooit zagen, de vrouwen die ze op afstand beminden, de eerste Franse chansons die ze hoorden, de smaak van couscous met warme melk uit hun jeugd – hun hele leven `geschreven met de inkt van hun zweet' passeert de revue. Maar ook de aanslagen van de FLN (Front pour la Libération Nationale). En ook de nacht van 17 oktober 1961, waarin bij gewelddadige raciale rellen tientallen immigranten in de Seine werden gesmeten en verdronken.

Toch is Djemaïs toon er één van zachte melancholie, van weemoed van het ouder worden, zonder bitterheid of agressie. Het Gare du Nord, kruispunt bij uitstek van reizigers, van lotgenoten, waar omhelsd en afscheid genomen wordt, trekt hen onweerstaanbaar aan: hoe graag zouden ze een roman schrijven over het leven van hen die er aankwamen om er te blijven, over hun vrienden, over henzelf, zodat er tenminste iets zou overblijven van die korte, intense periode die zij vertegenwoordigen in het collectieve geheugen van beide landen. Djemaïs boek is te mager om die ambitie te verwezenlijken, maar de intentie is daar, de wens geformuleerd.

Tijdens de afgelopen Maghreb des Livres, een grote literaire manifestatie over Maghreb-literatuur in Parijs, werd Le porteur de cartable van Akli Tadjer bekroond met de Prix Beur FM Méditerranée. Het boek is van het kaliber van Le gone du Chaâba: vrolijk, goed geschreven, met veel dialogen en verrassende ontwikkelingen. De tassendrager uit de titel is een tienjarige slimmerik die een Algerijnse Pietje Bell zou zijn geworden als hij niet opgroeide in 1962, in de banlieue van Parijs – in de jaren van de onafhankelijkheidsstrijd. In de schooltas (cartable) van Omar zitten niet alleen zijn schoolboeken, maar ook de bijdragen van de slager, de kapper en de kruidenier aan de oorlogskas van de FLN, de Algerijnse bevrijdingsbeweging, die de jongen iedere week afdraagt aan het hoofd van de lokale cel van strijders, die bij hem thuis vergadert. Wie niet betaalt wordt onder druk gezet, wie gezien wordt in `verkeerd' (Frans) gezelschap geëxcommunieerd door de hele Algerijnse gemeenschap.

Extremisme is Tadjer vreemd; hij lijkt, net als Begag, een verhuld educatief doel te hebben met zijn schrijven, een pleidooi te houden voor het gezond verstand, voor begrip en overleg, voor een politiek van enerzijds en anderzijds. Zijn jonge, in Parijs geboren, strijdlustige Algerijn Omar raakt bevriend met een zojuist uit Algerije gerepatrieerde, eveneens tienjarige `pied noir', Raphaël, die Fransman is maar in Algerije geboren en die niets liever wil dan naar `zijn' land terugkeren. Wiens land is dat nu eigenlijk, Algerije? Wie is er nu eigenlijk Fransman, wie Algerijn? Haarfijn doet Tadjer die dubbelzinnigheden uit de doeken, de twee zijden van de ballingschap, de rivaliteit en de onverzoenlijkheid. Waanzin, dood en gevangenschap komen samen in een heftig, bijna idealistisch einde.

Begag, Tadjer en Djemaï plaatsen zich met hun romans in een klassieke literaire traditie van verhalen vertellen, onderhouden en tussen de bedrijven door de lezer een beetje opvoeden. Ze spelen met de Franse taal, kruiden haar met wat Arabisch en kneden de culturen die ze onder handen hebben tot een aangename mix. Hun personages komen aan in de goot, kruipen de sociale ladder op, verhuizen naar de flats in de banlieues en soms nog wat verder naar het centrum. Ze verwerven zich een plaats in de Franse samenleving. Voor hen is de banlieue vaak maar een fase geweest, een etappe van hun ballingschap. Hoe meer naar het stadscentrum, hoe dichterbij de périférique, des te geslaagder is hun leven, des te beter hebben ze geboerd.

Van een heel andere literaire orde is het vierde boek van de humorist en essayist Fellag, Comment réussir un bon petit couscous. Zijn essay heeft meer weg van het cynisme en de hilarische toon van een stand-up comedian dan van een oproep tot rationeel denken. Couscous, schrijft hij, is tegenwoordig niet alleen gewild in de banlieues, maar is het meest populaire gerecht van heel Frankrijk geworden. Dus is het moment daar om de Frans-Fransen in te wijden in de typologie van de couscous en meer in het algemeen in de rituelen en begrippen van de Maghreb. Weet u wel dat mektoub de kunst is om alles in het leven te relativeren? Dat de merguez `een uitvinding van joodse Algerijnen is die de voorouderlijke angst voor een mislukte besnijdenis symboliseert'? Hilarisch is zijn dialoog tussen een Arabische vrouw en haar westerse echtgenoot, die op bezoek zijn bij haar familie in Algerije: zij conformeert zich onmiddellijk aan de Arabische zeden, wordt ingetogen en onderworpen. De man herkent zijn vrouw niet meer terug, heeft maling aan haar vreemde gedrag, het verhullende taalgebruik, aan de siësta en aan het familiegefluister.

Onder Fellags humor en ironie schuilt een felle woede die telkens opduikt. Over het Algerijnse regime: `De leiders van dit land die zoveel haast hadden om de macht te grijpen dat ze geen tijd hadden om eerst naar school te gaan, eten couscous à la chevrotine (alsof het een schot hagel is), geserveerd met kanonnenvlees dat vers gehouden wordt in de kelders van de stad totdat het goed verstorven is.' Over de economie: `De boeren, over het algemeen toch goed in het verbouwen van graan, werden in socialistische fabrieken tewerkgesteld om uit kapitalistische landen geïmporteerd graan te malen.' Over westerse toeristen in het land: `In het begin waren er nog enkele organisaties die rondreizen organiseerden, maar steeds verdwaalde de helft van de groep in de woestijn, anderen doken in de mystiek of werden gek, ze huwden schapen en bleven.'

Fellag analyseert, neemt stelling, ironiseert en bekritiseert en dat is niet vreemd in een land waar het schrijven niet vrijblijvend is, maar waar het engagement zo prominent in de literatuur aanwezig is.

Natuurlijk zijn er ook schrijvers die hun afkomst op geen enkele wijze willen laten meespelen in hun werk, auteurs die zich van het banlieue-vocabulaire emanciperen, zich aan die beperkende retoriek wensen te onttrekken. Zij wensen puur op hun schrijverschap en de literaire kwaliteit daarvan te worden afgerekend. Daar gaat het tenslotte om. Bij de jongere generatie vindt men geen kinderjaren in de banlieues meer, geen langzame stijging op de sociale ladder en geen genadeloze kritiek op land van herkomst of van aankomst. ,,Ik ben schrijver, niet alleen `beur de banlieue'', zei Azouz Begag al jaren geleden in een interview. ,,Ik wil bestaan om wat ik doe, niet alleen maar om wie ik ben.' Wie zo spreekt is de magische grens van de périphérique overgestoken: die heeft de banlieues ver achter zich gelaten en zich een plaats verworven in het centrum.

De jongere generatie laat zien dat ze daar stevig verankerd is. In de recent verschenen prachtige autobiografische bespiegelingen van de 33-jarige Marokkaanse schrijver Rachid O., de roman Ce qui reste, bijvoorbeeld, gaat het om een Marokkaanse hoofdpersoon die worstelt met zijn schrijverschap in wording en met zijn homoseksualiteit. Geen flat in de banlieues, maar een verblijf als uitgezonden Franstalige schrijver naar de Villa Médicis in Rome, geen gewelddadige vader die bang is het gezag over zijn losbandige zoon kwijt te raken, maar een rustige, zwijgende vader die meer begrijpt dan hij eigenlijk zou willen.

Een andere veelbelovende auteur, de debutant Tarek Issaoui, vermeldt op de achterflap van zijn recente roman J'ai alleen dat hij 29 jaar is. Hij is al zo ver verwijderd van zijn Algerijnse afkomst dat hij die bewust niet vermeldt. Hij beschrijft in een krachtige, zakelijke staccatostijl een milieu dat het grootste contrast vormt met de oudere generatie: de New Yorkse beurswereld, de handel van het grote geld. Zijn optiehandelaren wanen zich de meesters van het kapitaal, de heersers van de wereld en beschikken over overeenkomstige ego's. Met verbazing overzien ze de financiële ruïne die volgt op de aanslag van 11 september, waardoor ze weer worden gereduceerd tot eenvoudige arbeiders op de beursvloer.

Politiek, culturele botsingen, homoseksualiteit en 11 september. Dat zijn de nieuwe thema's van Maghreb-auteurs. De banlieue als literair thema heeft voorgoed afgedaan. Die is alleen nog voor losers.

Abdelkader Djemaï: Gare du Nord. Seuil, 91 blz. €18,–

Fellag: Comment réussir un bon petit couscous. J.L. Lattès, 89 blz. €8,– Tarek Issaoui: J'ai.

Stock, 247 blz. €20,30

Rachid O.: Ce qui reste.

Gallimard, 119 blz. €15,88

Akli Tadjer: Le porteur de cartable. J.C.Lattès, 256 blz. €18,– (Pocket Edition, €8,–)

    • Margot Dijkgraaf