Correspondent biedt tegengif tegen hypes

De bomaanslag op het Marriott-hotel in Jakarta was twee dagen wereldnieuws en moest toen plaatsmaken voor rampen uit andere werelddelen. Gelukkig bleef `onze man' in Jakarta, Dirk Vlasblom, op zijn post. Hij voorziet ons het hele jaar door van nieuws, achtergrond en analyse vanuit het grootste moslimland ter wereld.

Vlasblom behoort tot het uitgebreide correspondentennet dat samen met de buitenlandredactie in Rotterdam het wereldbeeld van deze krant bepaalt. Uiteraard is de keus van standplaatsen van invloed op de selectie van het nieuws. Want `eigen' verhalen hebben meestal een streepje voor op nieuws van persbureaus.

Dirk Vlasblom vertrok in 1990 naar Jakarta, maar moest zijn correspondentschap onderbreken toen het Suharto-regime in 1996 weigerde zijn werk- en verblijfsvergunning te verlengen. Zijn verhalen over Irian (nu Papoea) waren kennelijk te vrijmoedig geweest. Drie jaar later keerde Vlasblom terug. Zoals de meeste correspondenten op verre buitenposten werkt hij als freelancer op contractbasis.

Terwijl sommige correspondenten wegens het roulatiebeleid na een jaar of vijf verkassen, heeft Vlasblom nu al tien jaar ervaring in Jakarta. In die tijd heeft hij een flink netwerk en een eigen archief kunnen opbouwen. Hij is getrouwd met een Indonesische vrouw, spreekt vloeiend Indonesisch, en heeft passieve kennis van het Javaans en het Arabisch. Op de markt kan hij zich redden in het laag-Javaans. Allemaal nuttig als je iets wilt toevoegen aan de persbureaus, die snel het belangrijke nieuws brengen, aangevuld met wat korte citaten. Want dat is Vlasbloms ambitie: tegengif bieden tegen de hypes, die even snel wegzakken als ze opkomen.

Op de dag van de bomaanslag op het Marriott-hotel was Vlasblom in Jakarta. Doordat NRC Handelsblad een middagkrant is, kon hij nog dezelfde dag het nieuws op de voorpagina melden, inclusief het feit dat ook een Nederlandse Rabo-directeur was omgekomen.

In vergelijking met Nederlandse ochtendkranten of de International Herald Tribune, die de volgende dag verschenen, had NRC Handelsblad weinig tijd en ruimte voor ooggetuigenverslagen. Maar dat laat Vlasblom waarschijnlijk ook graag over aan de persbureaus, die met meer mensen ter plekke zijn. In de dagen na de aanslag gaf hij vooral achtergronden over mogelijke daders en motieven.

Het nieuws ging ondertussen gewoon door: de hoofdverdachte van de moordaanslag op Bali, waarbij vorig jaar 202 doden vielen, hoorde zijn doodvonnis uitspreken. De leider van een vrome knokploeg werd veroordeeld. In het proces tegen de mogelijke leider van de extremistische Jema'ah Islamiyah werd vijftien jaar gevangenisstraf geëist. En breaking news in Thailand werd Hambali gearresteerd, die door westerse inlichtingendiensten vermoedelijk ten onrechte als de Aziatische Bin Laden wordt afgeschilderd.

In een archipel met 1.300 eilanden kun je niet overal tegelijk zijn. Terwijl de correspondent van de Volkskrant tussendoor vanuit Denpassar en Kuta over het proces tegen de Bali-bombers berichtte, bleef Vlasblom in Jakarta. Daar kon je de roerige taferelen in de rechtszaal op de televisie volgen. De dateline (Jakarta in plaats van Denpassar) zegt in zo'n geval niet alles.

Nog ingewikkelder is dat bij verslagen over Atjeh. Sinds de oorlog opnieuw uitbrak worden buitenlandse journalisten niet toegelaten. Af en toe geeft een generaal of minister een persconferentie, maar of die informatie betrouwbaar is, weet je niet. Ook op Indonesische media kun je niet blindvaren: hun journalisten zijn ingekwartierd en mogen alleen berichten wat het leger wil.

Dirk Vlasblom is wel diverse malen in Atjeh geweest, voor het laatst in maart van dit jaar vlak voordat de wapenstilstand werd verbroken, maar verzoeken voor een nieuwe reisvergunning werden niet ingewilligd. Het zou ook maar een beperkt nut hebben, want dan reist een militair escorte met je mee. En in bepaalde gebieden word je toch niet toegelaten.

Om het werk van een correspondent naar waarde te schatten moet je eigenlijk eens op de website van de krant kijken en zoeken op auteursnaam. Een steekproef van een half jaar levert al een oeuvre op ter dikte van een boek. Kleinere berichten niet meegerekend zijn dat meer dan veertig verhalen: over de oorlog in Atjeh (mogelijk duizend doden en tienduizenden vluchtelingen), de onrust in Papoea of de Molukken, de corruptie (ook in kringen rond de president), de zwakke economie, de verkiezingen van volgend jaar en natuurlijk veel over het moslim-extremisme.

Soms blijkt de voorgeschiedenis tot in de koloniale tijd te reiken. Een goed voorbeeld is de oorlog in Atjeh, dat sinds de Nederlandse oorlogsverklaring in 1873 weinig rust heeft gekend. Of denk aan het streven naar een islamitische staat, dat op z'n minst dateert van 1949. In dergelijke gevallen geeft de correspondent historische context die interessant is voor Nederlandse lezers.

In veel verhalen is duidelijk dat het grootste moslimland ter wereld een totaal eigen positie inneemt. De combinatie van armoede, rancune tegen het oppermachtige Amerika, afkeer van decadente vormen van toerisme en onvrede over het eigen politiek bestel zijn een permanente voedingsbodem voor moslim-extremisme. Voordat de oorlog tegen Irak begon, waren er massale demonstraties en waarschuwde Vlasblom voor de destabiliserende invloed van zo'n invasie op het labiele Indonesië.

Gelukkig zorgt een correspondent af en toe ook voor luchtiger verhalen. Zo maakte Vlasblom voor het maandelijks magazine M een mooie reportage over een bruiloft in Midden-Java. En vaak doet hij zijn best ons een woordje Indonesisch te leren. Alleen al de laatste maanden leverde dat een lijstje op van dertig woorden: van adat (traditie) tot wijik (voetwassing). Per slot van rekening is een correspondent er ook voor de couleur locale.

Piet Hagen, oud-hoofdredacteur van `De Journalist', blikt eens in de veertien dagen kritisch terug op de berichtgeving in NRC Handelsblad.

www.nrc.nl/krantachteraf: alle eerder verschenen afleveringen