Arjen Hilbers wil geen haat voelen

Theedrinken, schaduw zoeken, over motoren praten. De gijzeling in de Sahara was vooral heel saai, zegt Arjen Hilbers. Over boosheid, haat of angst weet hij niets te zeggen.

Arjen Hilbers, net bevrijd na een gevangenschap van zes maanden in de Sahara, knippert met zijn ogen en praat zacht. Hij zit, tussen zijn broers Krijn-Jan en Bert, in het perszaaltje van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Vlak voor zijn neus maken veertig fotografen en verslaggevers ruzie wie vooraan mag staan, wie de eerste vraag mag stellen. Een voorlichter van het ministerie maakt er een einde aan. Het is Hílbers persconferentie, en hij vertelt nu zélf zijn verhaal.

En dan begint Arjen Hilbers. Hij vertelt alsof hij verslag doet van een tochtje op een zondag over de Veluwe. ,,En toen hoorden we dat we waren vrijgelaten, en toen zijn we weggereden. De mensen die ons ophaalden waren ook heel moe, dus na 150 kilometer zijn we eerst gaan slapen.''

Hij wil ,,in het algemeen'' wel wat over de gijzeling zeggen: hij voelt zich goed, mentaal en fysiek, maar die zes maanden waren niet gemakkelijk. In het algemeen wil hij ook wel vertellen dat hij correct behandeld is. En de Zwitsers en Duitsers met wie hij daar gezeten heeft zijn persoonlijke vrienden van hem geworden. ,,Ik hoop dat ik nu alles verteld heb en dat ik straks weer gewoon Arjen Hilbers kan zijn.''

Nóg terughoudender wordt hij als de eerste vraag die hij zich laat stellen over risico's van het reizen door de Algerijnse woestijn gaat. Kende hij die? Arjen Hilbers: ,,Op speculaties wil ik niet ingaan.'' Hij had zich een jaar lang voorbereid, zegt hij. En verder zijn er heel veel mensen die dit soort reizen maken.

Maar dan wordt hem gevraagd hoe de gijzeling precies begon. Nu geen opmerkingen ,,in het algemeen'' meer. Arjen begint echt te vertellen, levendig, gedetailleerd. Hij en zijn Duitse reisgenoten waren net 's avonds met hun motoren van de piste afgegaan, toen ze opeens het geluid van andere motoren hoorden. Ze dachten dat het van de groep kwam die achter hen zat, ze sprongen op de duinen om te gaan zwaaien. Maar ze zagen mannen met baarden en geweren, een pick-up en een bus. ,,Ze kwamen onze camping opgereden'', zegt Arjen Hilbers. ,,Ze gooiden al onze spullen in hun auto's. We moesten op onze motoren stappen en we kregen allemaal een man achterop.'' Rijden moesten ze, tot diep in de nacht. De ontvoerders probeerden met hen het Tassalitplateau op te komen, maar dat lukte niet. Arjen Hilbers viel, zijn arm schoot uit de kom, en toen stopten ze, voor het eerst, om te slapen. Hilbers en zijn reisgenoten hadden meteen al begrepen dat het geen gewone overval was. Hun ontvoerders zeiden, in het Frans, dat ze losgeld wilden. Maar ze zouden hen niet vermoorden.

De eerste paar maanden verbleef de groep op twee verschillende plekken. Daarna begonnen de ontvoerders met hen rond te trekken, steeds naar andere schuilplaatsen – vaak droge rivierbeddingen. ,,Het merendeel van de tijd was het heel saai'', zegt Arjen Hilbers. ,,Afdakje bouwen tegen de zon, theedrinken, afwachten.'' Hij en zijn reisgenoten maakten zelf een schaakspel en mens-erger-je-niet. Ze praatten, dicht bij elkaar in het kleine beetje schaduw, eindeloos over motoren. Soms waren ze moedeloos: zal dit ooit nog ophouden? Maar ze waren niet bang, zegt Arjen Hilbers. Alleen toen ze door de radio – soms hadden ze ontvangst – hadden gehoord dat een andere groep gijzelaars bevrijd was en dat daarbij negen ontvoerders waren omgekomen. Het ellendigst voelden ze zich toen hun reisgenote Michaela Spitzer stierf door gebrek aan water. Het is ook een onderwerp waar Arjen Hilbers niets over wil zeggen. Michaela Spitzer, moeder van twee kinderen, werd door de anderen uit de groep begraven in de woestijn.

Onder het zand gebakken brood en bonen aten ze. Later vooral rijst en pasta. Af en toe een stukje vlees en soms was er melkpoeder. Arjen Hilbers is negentien kilo afgevallen. Maar hij vindt dat niet erg. Hij kijkt, zegt hij, nu wel wat anders tegen de welvaart in het westen aan. ,,Dat je gewoon de kraan kunt opendraaien en dat je dan water hebt.'' In de woestijn dronk hij water uit bronnen of bekkens – als die er waren. De gijzelaars aten niet samen met hun ontvoerders. ,,Ze hielden afstand en wij ook.'' Hij gebaart met zijn armen – de ene groep hier, de andere daar.

Hoe denkt hij nu over de mannen die hem zes maanden gevangen hielden? Arjen Hilbers knippert met zijn ogen, praat opeens weer in algemene termen. ,,Ik heb geen haatgevoelens voor islamitische mensen'', zegt hij. ,,We leerden ze op een persoonlijke manier kennen. Ze spraken met ons over hun geloof. Ze zeiden dat dat hun motief was. Het was duidelijk dat ze graag wilden dat iedereen zou geloven wat zij geloven. Wij probeerden zo goed mogelijk om hen niet te provoceren.'' Hoe groot de groep ontvoerders was, weet Arjen Hilbers niet precies. ,,Enkele tientallen, soms kwamen er mannen bij, soms gingen er een paar weg.''

Als hij dan geen haat voelt, voelt hij dan soms vriendschap voor de ontvoerders? (Een van de Duitsers die eerder dit jaar al bevrijd was, Ongo Bleckmann, sprak daar vorige week openlijk over in deze krant. Gijzelaars kunnen zich sterk identificeren met hun gijzelnemers – het zogenaamde Stockholmsyndroom.) Arjen Hilbers draait zijn gezicht weg, staart in de verte en zegt dan zacht: ,,Weet ik niet, kan ik niet op antwoorden.'' Even later, als een verslaggever van het Jeugdjournaal hem nog een keer heeft gevraagd of hij nu een hekel heeft aan zijn ontvoerders, klinkt Arjen Hilbers veel fermer. ,,Geen hekel nee'', zegt hij. ,,Ik ben geen haatdragend persoon. Ik wil geen hekel aan ze hebben. Ze hebben ons niet mishandeld.''

Hij wil graag weer gewoon aan het werk, zegt hij. Hij is projectmanager bij een energiebedrijf in Noord-Holland. Maar hij weet dat het nog wel even kan duren voordat niemand meer aan de gijzeling denkt.