Naamloze gewonden in Israël

Wat moet een arts met een zwaargewond kind zonder naam en zonder ouders? Een verslag uit Israël.

Uren na de zelfmoordaanslag van dinsdag op een volle stadsbus in Jeruzalem ligt de eenjarige Shira Cohen alleen in een ziekenhuisbed, een klein lichaampje tussen lakens en apparaten, haar gezicht rood en geschramd door scherven. Artsen hadden haar linkeroog kunnen redden, maar moeten het nu waarschijnlijk verwijderen omdat het uren heeft gekost haar ouders, die in een ander ziekenhuis liggen, te vinden om hun toestemming voor de operatie te vragen.

De honderdste zelfmoordaanslag in drie jaar betrof een overvolle bus die ultraorthodoxe gezinnen en schoolkinderen vervoerde die van de Klaagmuur en school op weg naar huis waren. Zeker zes van de twintig doden waren kinderen, 40 kinderen raakten gewond. Huilende kinderen, hun kleren aan flarden en met bebloede gezichten, moesten worden weggedragen. Tot nu toe is slechts de helft van de slachtoffers geïdentificeerd omdat veel lichamen uiteengereten werden door de ontploffing. Ambulances voerden de gewonden razendsnel af, waardoor kinderen en ouders gescheiden raakten. Ziekenhuismedewerkers zijn nog druk bezig families te herenigen. Sommige moeders en vaders zijn dood, anderen liggen verspreid over ziekenhuizen in de stad.

Shira kon alleen worden geïdentificeerd nadat artsen een röntgenfoto hadden genomen en zagen dat er een nier bij het meisje was verwijderd. Met behulp van oude ziekenhuisgegevens vonden ze haar naam.

Een zwaargewonde baby van een maand oud kon alleen worden herkend aan haar gewicht. Eén peuter stierf aan zijn verwondingen voordat zijn ouders waren gevonden. Een reddingswerker die de uiteengereten bus doorzocht, vond nog een baby tussen de doden, onder het bloed, maar ongeschonden. ,,Uit deze vreselijke hel van bebloede, verbrande lichamen, tilde ik een baby op, levend, ongedeerd en huilend'', vertelt Yehuda Meshi-Zahav. ,,Hiervoor moet je God danken.''

In het Hadassah-ziekenhuis waakt Ido Yatsiv, specialist op de kinderafdeling van de intensive care, over Shira en de andere gewonde kinderen. ,,Dit kleine meisje verloor haar broer'', zegt hij terwijl hij naar het slapende kind loopt. ,,Dat weet ze natuurlijk nog niet.'' Het zesjarige meisje, dat Esther heet, ligt sereen te slapen, verdoofd, ademend door een zuurstofmasker. Nu en dan spoelt een verpleegster haar longen, die door de explosie zijn gescheurd en waarin bloed en vocht terecht zijn gekomen. Het meisje zou over twee weken naar groep drie van de basisschool zijn gegaan.

Aan de andere kant van de zaal praat de 16-jarige Batya Kodari tegen haar broertje Meir. De frêle zes jaar oude jongen dut. Zijn rode betraande ogen openen zich af en toe. Batya ontkwam aan de aanslag omdat ze in een andere bus zat. Maar haar broertje, drie zussen en een tante namen de overvolle bus vanaf de Klaagmuur wel. ,,Ik zei tegen mijn tante: kom op, het is te vol, laten we een andere bus nemen'', herinnert Batya zich. Zij en een vierde zusje stapten in een tweede bus, maar haar zwangere tante zei dat ze te moe was om over te stappen.

Batya hoorde en voelde de ontploffing. ,,We zagen het niet'', zegt ze. ,,We roken vuur en er was een enorme knal en een beving.'' Haar tante en zusjes hebben brand- en snijwonden op armen en gezicht. Meir werd lichtgewond en mag waarschijnlijk over enkele dagen naar huis.

Moeder Gila buigt zich over de jongen en kust hem. ,,Heb je pijn? Heb je het koud?'', vraagt ze hem, en ze fluistert: ,,Het was een aanslag op de bus, wist je dat?'' Hij knikt. (AP)

ACTIE ISRAËL: pagina 5