Inkomen en omgeving

AMERIKAANSE TOPONDERNEMERS verdienen zo'n dertig miljoen dollar per jaar. Ten opzichte van de bestuurders van de grootste Nederlandse beursgenoteerde bedrijven verdienen Amerikaanse managers tien à twintig keer zoveel. Amerikaanse verschillen tussen de laagste en hoogste inkomens zijn in korte tijd gestegen tot een factor duizend. In Nederland bedragen deze grofweg een factor honderd. In vergelijking met die Amerikaanse toestanden valt het besluit van de inkomens van de leden van de raad van bestuur van bankverzekeraar ING volgend jaar met 15 procent te verhogen, als opmaat naar een verhoging met in totaal 60 procent, alleszins mee. Maar alles is relatief en een inkomensstijging van 15 procent steekt scherp af bij de nullijn die voor ambtenaren volgend jaar in de maak is en bij de schamele salarisverhogingen voor werknemers die onder CAO's in het bedrijfsleven, ook bij de banken, vallen.

Het argument voor inkomensverbeteringen (basissalaris en variabele beloningen) aan de top van het bedrijfsleven is steevast de vergelijking met het buitenland. Nederland zou bestuurlijk toptalent verliezen als de inkomens hier niet concurrerend zijn. Maar zo flexibel is de internationale arbeidsmarkt voor managers ook weer niet. Er vertrekken meer Nederlandse voetballers dan zakenlieden naar het buitenland (sommige voetballers verdienen ook méér, evenals rocksterren) en Amerikaanse niveaus van topsalarissen zijn nergens in Europa gangbaar. Het moet geen streven zijn in de bestuurskamers om de Atlantische inkomenskloof te overbruggen.

HET KABINET WIL dat de Nederlandse beursgenoteerde ondernemingen de aanbevelingen voor behoorlijk bestuur van een commissie onder leiding van oud-ondernemer Tabaksblat (onder meer: beperking van het aantal en de duur van commissariaten, grotere aandeelhoudersinvloed) overnemen. Als tegemoetkoming is het kabinet bereid het voornemen om de extra beloningen van topbestuurders fiscaal af te romen, in te trekken. Terecht: een `kleptocratentax' zou alleen maar tot meer fiscale ontwijking leiden. Hiermee legt het kabinet de verantwoordelijkheid voor de hoogte van de topinkomens waar die hoort, bij de bestuurders van de ondernemingen. Die moeten dan wel rekening houden met de maatschappelijke verantwoordelijkheid van het ondernemerschap. Dat houdt ook in om maatvoering te houden bij de beloningen. De Nederlandse economie verkeert in een recessie, de werkloosheid loopt op en alom wordt vastgesteld dat loonmatiging gewenst is om de concurrentiepositie te verbeteren. Dan is vasthouden aan een inkomenssprong met 15 en uiteindelijk 60 procent contraproductief.

Topmanagers verdienen op grond van de verantwoordelijkheid van hun werk een uitstekende beloning, die in verhouding moet staan tot de prestaties van een onderneming. Maar een zichzelf instandhoudende spiraal van inkomensstijgingen is ongewenst. Bovendien hebben extreem hoge inkomens economisch geen enkele zin. Ze dragen wel bij aan de beeldvorming over het bedrijfsleven en aan het klimaat van de arbeidsmarkt. Door vast te houden aan aanzienlijke inkomensverbeteringen plaatsen de ING-bestuurders – en zij niet alleen – zichzelf buiten de maatschappelijke omgeving waarin ze zakelijk moeten floreren.