De winter achterna

Zin in een verkoelende leeservaring? Kunstenares Jack Breed schreef een spannend boek over zeven ijskoude winterreizen.

Zomermaanden en reisboeken lezen: dankzij de literatuur kwam ik in de uithoeken van de wereld. Ik las de belevenissen in Alaska, Australië en Patagonië van Marc Helsen in zijn boek Ver van mijn bed. Op het omslag prijkt zijn tent, beschenen door de dansende sluiers van het noorderlicht. Helsens boek is een traditioneel reisboek; een man gaat op weg en verhaalt over zijn waarnemingen en belevenissen.

Het kan ook anders. Een reis kan ook een performance zijn, een theateruitvoering. Een eenzame dans zonder toeschouwers. Dat heeft beeldend kunstenares Jack Breed gedaan; ze is afkomstig uit Egmond aan de Hoef en deed de Rietveld Academie in Amsterdam. Ze heeft zich een bijzonder doel gesteld. Zeven winters lang verbleef ze op de meest barre uithoeken van de aarde, zowel op het noordelijk als zuidelijk halfrond. Spitsbergen, de Falkland Eilanden, de noordpool en IJsland zijn de onherbergzame plekken die ze bezocht.

Het waren allemaal winterse reizen. In haar boek De Reis van Zeven Winters schrijft Breed over haar omzwervingen. Zij ging mee op vracht- en vissersboten, ze was getuige van het oerelement dat de perfect storm heet, de meest dodelijke van de windkrachten. Op de Falkland Eilanden was zij de eerste vrouw die aan boord van een lokaal bevoorradingsschip werkte, zodat ze de eilanden, waar geen wegen zijn, kon verkennen.

In tegenstelling tot andere reizigers liet zij op de plekken die ze bezocht kunstwerken achter. In het boek staan er foto's van. Breed bouwde torens, zelfs op gletsjers. Wie ooit in de bergen is geweest, de Alpen bijvoorbeeld maar ook de Himalaya, weet dat bergbewoners van puinstenen en keien torens op de spitsen bouwen. Dat zijn bijna religieuze monumenten. Ze dienen ook tot oriëntatie. Op het omslag van Willem Frederik Hermans' roman Nooit meer slapen (10de druk; 1972) staat zo'n toren afgebeeld, gefotografeerd door de auteur zelf. Het is een kleine kei op een grote kei en daarop nog een brok steen. In die traditie bouwde Jack Breed haar kunstwerken.

Aan de bron van het boek Reis van Zeven Winters staan de kunstwerken die Breed ter plekke maakte. Ze fotografeerde de torens, maakte er schilderijen van. Ze moest zich behelpen met het materiaal dat ze aantrof. Stukken van jutezakken of een reep visnet. In kisten, het lijken wel dodemanskisten, verstuurde ze de kunstwerken naar Nederland.

Het aardige is dat een solist als Jack Breed weer een andere solo-reiziger tegenkwam, de zeezeiler Henk de Velde. Ze troffen elkaar op Atka, een van de Aleoeten Eilanden. De Velde schrijft in zijn laatste zeilboek Een vermoeden van vrijheid over het reizen: `Er is geen eind, niet in het reizen, niet in het denken, niet in het scheppen. Ik kwam Jack op Rapa Nu tegen, een eiland in mijn geheugen gegrift.'

Het is vooral verbazing die me treft als ik over Breeds onderneming lees. Daarginds, in de barre verlatenheid, moeten die torens nog staan. Primitieve monumenten. Maar misschien ben ik nog het meest gefascineerd door het doel van haar eindeloze reizen: ze zocht de winter op. Winter! Kennen we dat woord nog? Koude, vorst, sneeuw, hagel. Die uithoeken van de aarde zijn minder ver weg dan het seizoen dat winter heet. En Breed beleefde zeven winters achter elkaar. Dat kan, zij reisde eenvoudigweg de winter achterna.

Jack Breed `De Reis van Zeven Winters' Uitg. Flevodruk, Harderwijk. 25 euro