Corus op zoek naar een overlevingsstrategie

Corus maakt zich op voor de zoveelste sanering van de Britse staalactiviteiten, met het doel die weer winstgevend te krijgen. Eerdere pogingen mislukten. Met het bewerken van ruwe staal tot onderdelen van eindproducten is Corus in Groot-Brittannië intussen wel succesvol. `We moeten minder gaan verkopen wat we maken en meer gaan maken wat we kunnen verkopen.'

Er staat een groot hek om de hoogoven van Llanwern in Zuid-Wales. Het terrein is uitgestorven. De hoogoven is twee jaar geleden gedoofd, de ruwijzer- en staalproductie zijn stilgelegd. Wat ooit een grote, indrukwekkende staalfabriek was die drie miljoen ton staal per jaar produceerde, is nu een verzameling installaties die wachten op verkoop of sloop. Alleen de walserijen zijn nog in bedrijf. Het hek dient ter voorkoming van ongelukken: kinderen uit het pal naast de fabriek gelegen dorp zouden het verlaten terrein anders wel eens als speelplaats kunnen gaan gebruiken.

De sluiting van een groot deel van `Llanwern' betekende in 2001 een forse aderlating voor het met staal vergroeide dorpje. Meer dan 1.300 mensen verloren hun baan. De sluiting was onderdeel van een ingrijpende sanering van de verliesgevende Britse activiteiten van staalconcern Corus, die bij elkaar meer dan 6.000 banen kostte.

Het Britse parlement was verbolgen over zoveel banenverlies en Brian Moffat, de toenmalige president-commissaris van Corus, moest voor een parlementaire commissie verschijnen om zich te verantwoorden. De sanering zou een einde maken aan de enorme verliezen van Corus in het Verenigd Koninkrijk, zo betoogde Moffat. De parlementscommissie reageerde sceptisch. ,,Niets wat wij van Sir Brian Moffat hebben gehoord heeft ons ervan overtuigd dat de banenreductie onderdeel is van een langetermijnstrategie die is gericht op het overleven van het bedrijf'', zo stelde zij in haar conclusie.

De commissie kreeg gelijk: de Britse staalproductie bleef verliesgevend en Corus heeft daardoor sinds de fusie van Hoogovens en British Steel in 1999 nog nooit winst gemaakt. De voornaamste oorzaak van de problemen is de afkalvende vraag naar staal. Een deel van de `maakindustrie', traditioneel grootafnemer van staal, verplaatst haar productie naar lagelonenlanden in Azië en Oost-Europa en koopt daar goedkoop staal van lokale producenten. Hierdoor ontstaat overcapaciteit bij de Europese staalbedrijven, waaronder Corus, wat een neerwaarts effect op de verkoopprijzen, en dus op de winstmarges, heeft.

Europa's staalindustrie reageert hierop door haar productiecapaciteit terug te brengen – zoals Corus gedaan heeft in Llanwern. Dit was echter niet genoeg om de Britse activiteiten van Corus weer winstgevend te krijgen. Want Corus heeft meer problemen. Behalve door overcapaciteit werd het concern de afgelopen jaren ook gehinderd door de hoge koers van het Britse pond ten opzichte van de euro. Britse bedrijven konden daardoor relatief goedkoop staal importeren, waar Corus niet tegen kon concurreren.

En dus bleven de verliezen zich opstapelen. `Llanwern' vormt ook nu nog een belangrijke verliespost, omdat het staal dat in Llanwern wordt uitgewalst tot dun plaatstaal voor onder meer de auto- en verpakkingsindustrie, niet langer naast de deur wordt gemaakt. In plaats daarvan wordt het nu per trein aangeleverd vanuit de Corus-fabriek in Teesside in Noordoost-Engeland, 450 kilometer verderop, wat hoge transportkosten met zich meebrengt.

Aan die situatie komt binnenkort een eind, want Corus heeft eerder dit jaar opnieuw een sanering in Groot-Brittannië aangekondigd. Dit keer wordt er, in tegenstelling tot wat analisten hadden verwacht, niet in de productiecapaciteit gesneden. Corus concentreert de staalproductie voor de Britse binnenlandse markt op drie plaatsen: in Port Talbot in Wales voor plaatstaal, in Scunthorpe aan de Engelse oostkust voor bouw- en constructiestaal, en in Rotherham in het midden van Engeland voor staal bestemd voor elektronicatoepassingen. Deze drie fabrieken van stalen halffabrikaten moeten voortaan alle walserijen en bekledingslijnen (waar het staal bijvoorbeeld van een laag tin of verf wordt voorzien) `voeden' met staal. Paradoxaal genoeg moet Corus zijn productiecapaciteit hiervoor zelfs licht uitbreiden, omdat bijvoorbeeld Port Talbot nu nog niet voldoende staal produceert om de walserijen in het naburige Llanwern te kunnen beleveren.

Door een herschikking van activiteiten en het sluiten van een kleine staalfabriek in Stocksbridge gaan bij deze operatie 1.150 banen verloren. Het meest ingrijpende gevolg is echter dat de staalproductie in Teesside, een grote fabriek waar 2.200 mensen werken, niet langer nodig is om aan de eigen behoefte van Corus aan stalen halffabrikaten te voldoen. De fabriek is dus eigenlijk overbodig.

In plaats van `Teesside' te sluiten, wat veel analisten hadden verwacht, heeft Corus besloten de fabriek uit het concern te lichten en voorlopig voort te zetten als zelfstandige producent van stalen halffabrikanten, bestemd voor de exportmarkt. Analisten zijn hier sceptisch over: hoe kan een producent als Corus, met een toch al relatief hoge kostenbasis, concurreren met producenten uit lagelonenlanden op een mondiale vechtmarkt voor producenten met nauwelijks toegevoegde waarde?

Sommige analisten verwachten dan ook dat Corus `Teesside' in de toekomst alsnog zal sluiten. Het `uitstel van executie' is niet eens zo ongunstig voor Corus: de kosten van de huidige saneringsronde – geraamd op 250 miljoen pond – blijven daardoor binnen de perken. Dat is niet onbelangrijk, want Corus heeft de financiering van deze reorganisatie nog niet rond. Een sanering inclusief de sluiting van Teesside had minimaal het dubbele gekost en dat zou het rond krijgen van de financiering alleen maar moeilijker gemaakt hebben.

Verder speelt mee dat Teesside de komende tien jaar geen grote investeringen nodig heeft. De fabriek zal weliswaar vermoedelijk niet met winst draaien, maar toch in elk geval met een positieve kasstroom. Ten slotte voorkomt het open houden van Teesside nieuwe sociale onrust onder het Britse Corus-personeel, dat sinds de fusie in 1999 toch al met ruwweg een derde is teruggebracht tot zo'n 25.000 man.

Dat Teesside niet gesloten wordt, heeft overigens niet kunnen voorkomen dat er opnieuw onrust is ontstaan onder Britse parlementariërs, die opnieuw banen zien verdwijnen in de Britse staalindustrie. Net als in 2001 moest Brian Moffat dit jaar, vlak voor hij met pensioen ging, voor dezelfde parlementaire commissie verschijnen om uit te leggen waarom hij alweer kostbare werkgelegenheid liet verdwijnen.

Dit keer toonde de commissie meer begrip. ,,De staalindustrie kampt met grote problemen, zoals overcapaciteit en een teruglopende vraag naar staal'', stelt ze in haar rapportage naar aanleiding van de hoorzittingen. ,,De Britse staalindustrie wordt extra getroffen door de daling van de industriële productie in Groot-Brittannië en, tot voor kort, de hoge koers van het pond.'' De recente waardedaling van de Britse munt pakt waarschijnlijk gunstig uit voor Corus, maar is volgens de commissie nog niet voldoende om het concern er weer bovenop te helpen. ,,Terugkeer naar winstgevendheid is pas mogelijk na rationalisatie van de sector.''

Dat is duidelijk een andere toon dan twee jaar geleden, toen de commissie nog geen goed woord over had voor de saneringen bij Corus. Of die deze keer wel het beoogde effect zullen hebben, moet nog blijken. Eerst moet Corus de financiering van de reeds aangekondigde maatregelen rond zien te krijgen. Een belangrijke stap in de goede richting is de eerder deze maand rondgekomen herfinanciering van de kredietfaciliteit die Corus nodig heeft om zijn fabrieken draaiende te houden. Deze 1,2 miljard grote kredietlijn was begin dit jaar in gevaar gekomen toen de poging om de aluminiumactiviteiten in Duitsland en België te verkopen aan het Franse aluminiumconcern Pechiney mislukte. Corus liep daardoor circa 750 miljoen euro aan inkomsten mis. Nu het krediet tot medio 2006 is veiliggesteld, is de kans aanzienlijk gestegen dat Corus ook het voor de reorganisatie benodigde krediet rond krijgt.

Een belangrijke vraag is nu nog hoe de eerder dit jaar aangetreden nieuwe bestuursvoorzitter van Corus, Philippe Varin, de toekomst van de Britse staalproductie ziet. Vindt hij de geplande sanering, die Brian Moffat nog net voor Varins aantreden heeft aangekondigd, voldoende? Of heeft hij alweer plannen voor nieuwe ingrepen? Het wachten is op Varins langetermijnstrategie, waarover hij zich tot op heden nog niet heeft uitgesproken. De presentatie van de halfjaarcijfers volgende maand is daar de eerste gelegenheid voor.