Arend

In het Overijsselse hotel werden we welkom geheten door Arend, een zwartharige, uiterst vriendelijke jongeman, die enthousiast onze koffers begon te tillen.

Aan Arend was álles enthousiast. Hij keek nog zo gretig de wereld in dat je hem bijna tot enige behoedzaamheid zou manen.

In de hal, net als de rest van het hotel opgetrokken in een ietwat protserige Engelse namaak-landhuisstijl, bleef Arend pontificaal staan en sprak: ,,Is dit geen prachtig hotel? Alles is nog als nieuw. Dat komt omdat het nog niet zo lang geleden is afgebrand. De details kan ik u niet vertellen, want ik ben hier nog maar vier dagen in dienst.''

De details konden ook nog wel even wachten, vonden wij, als we maar wisten op welke verdieping we zouden logeren altijd nuttige kennis in brandbare hotels.

,,U slaapt begane grond'', zei Arend al, ,,een gewéldige kamer.''

Hij gaf een vlekkeloze demonstratie van de sleutelkaart en liet ons alleen. Bij de lunch op het terras zagen we hem een uurtje later terug. We waren al op de kale, houten stoelen gaan zitten toen hij kwam aangesneld met kleurige kussens. ,,U moet een beetje lekker kunnen zitten'', vond hij.

Terwijl we de kaart bekeken, gaf hij in het kort zijn visie op het horecawezen. ,,Het is te duur geworden in Nederland en de verzorging is vaak bar slecht. Je moet de mensen verwennen, maar waar gebeurt dat nog?''

Hij was vurig van plan het goede voorbeeld te geven, ook al lag zijn toekomst elders. ,,Ik zit op de International Business School, dit is voor mij een baantje tussendoor.'' Hij zei het zonder enige hooghartigheid, hij vond gewoon dat wij het recht hadden om zijn antecedenten te weten.

Ik bestelde intussen een glaasje karnemelk. ,,O ja, karnemelk'', riep Arend, ,,die hebben we nog over van het ontbijt niet dat-ie oud is, hoor, verre van dat.''

Zo had Arend bij elk drankje en gerecht zijn bemoedigende commentaar, ook nadat hij het voor je had uitgeserveerd. ,,Ziet dat er niet goed uit?'' vroeg hij dan. Of: ,,Dat zal u vast goed smaken.''

Een doodvermoeiende jongen, zou je op het eerste gezicht zeggen, maar dat viel reuze mee. Met zijn opgewekte humeur en zijn aandacht voor iedereen leek hij alle gasten jong en oud – voor zich te winnen. In zo'n hotel zitten altijd een paar stokoude mensen klagerig weg te schemeren, maar ook voor hen had Arend alle geduld van de wereld.

Als ze op zijn school ook een cijfer geven voor sociale vaardigheid, krijgt Arend een tien.

De enigen die minder tevreden over Arend leken, waren de hoteleigenaar en vooral zijn vrouw. Wat verbeeldde dat eigengereide studentje zich wel niet? Steeds vaker gebeurde het dat Arend demonstratief werd weggeroepen als hij even aan een tafeltje stond. De eigenaresse volgde elk contact argwanend vanuit de verte. Soms kreeg Arend een openlijke, luide reprimande als hij een foutje bij het serveren had gemaakt: ,,Arend, wat doe je nou toch?''

Dat enthousiasme van Arend moest kennelijk met wortel en tak worden uitgewied, voordat hij deze leerschool van het leven had verlaten. En dat lukte, helaas. We zagen Arend in het verloop van een week verpieteren en versomberen. Als hij met je praatte, keek hij angstig over zijn schouder.

Toen we afscheid van hem wilden nemen, was hij nergens meer te vinden.