Rijk en toch niet gelukkig

Geld maakt niet gelukkig. Oud geld ook niet. Maar fascinerend blijft het, ook voor mensen die er zelf in hebben gezwommen. Burr Steers, neefje van Gore Vidal en Jackie Kennedy, schreef en regisseerde er zijn debuut over. In een interview beweerde hij dat kinderen van rijke mensen telkens zijn als hun ouders op vakantie gaan. Dat verkleint de erfenis. Steers debuut zit vol met zulke observaties. Het is dan ook een zwarte komedie, die vaak zowel geestig als zelfgenoegzaam is. Steers vergelijkt zichzelf schaamteloos met J.D. Salinger, die The Catcher in the Rye vlak na de oorlog schreef. Steers schreef Igby Goes Down nadat zijn broer aan aids was overleden. Tja.

Igby Goes Down gaat over een zeventienjarige jongen met een meedogenloze moeder, een schizofrene vader en een keurige broer. Na voor de zoveelste keer van school getrapt te zijn, zoekt hij zijn heil in New York. Via zijn rijke stiefvader komt hij terecht bij een stelletje als kunstenaars poserende drugdealers en -verslaafden.

Steers wist voor zijn debuut een aantal fijne sterren te strikken, onder wie Susan Sarandon, Bill Pullman en Jeff Goldblum. Zij zorgen ervoor dat het af en toe wat belegen materiaal pittig belegen wordt. Aan dit comfortabel onafhankelijke scenario kunnen ze zich ook niet echt branden. Sarandon gaat over de top, Goldblum wil voor een lachje best zijn broek uitdoen. Igby wordt gespeeld door Kieran Culkin, een van de jongere broertjes van Macauley. Je vraagt je af waarom de mensen in de film zich maar om hem blijven bekommeren. Dat vraag je je in het echt ook wel eens af. Goed gecast. De oneliners komen zijn mond wel uit. `If heaven is such a wonderful place then how come being crucified is such a big fucking sacrifice?'

Igby Goes Down. Regie: Burr Steers. Met: Kieran Culkin, Susan Sarandon, Claire Danes, Ryan Phillippe, Bill Pullman, Jeff Goldblum. In 7 bioscopen.