Opslag zoet water complex

De opslag van zoet water kan helpen bij extreme droogte. Maar hoe nodig is het om polders blijvend onder water te zetten?

Het inlaten van zout water om de droogte te bestrijden heeft de mogelijke aanleg van zoetwaterbassins opnieuw op de agenda gezet. ,,Wie in natte tijden water bergt, kan daar in droge tijden gebruik van maken'', stelde staatssecretaris Schulz van Haegen (Verkeer en Waterstaat) vorige week in een vraaggesprek. Waar ze meteen aan toevoegde dat het moeilijk is om een polder vol te laten lopen met water dat misschien maar eens in de vijftig jaar nodig is.

In het `Nationaal Bestuursakkoord Water', dat rijk, provincies, gemeenten en waterschappen twee maanden geleden sloten, is dan ook minder sprake van maatregelen tegen extreme droogteperioden, die vooralsnog weinig voorkomen, als wel van maatregelen tegen wateroverlast. De komende tijd wordt een aantal polders klaargemaakt om bij watersnood het overtollige water op te vangen.

Vooralsnog zijn daarvoor vijf gebieden aangewezen, waarvan er één klaar is. Dat zijn twee polders in Drenthe, Noord Meene en Zuid Meene. Na de laatste grote wateroverlast (van 1998) zijn daar in de dijken twee waterinlaten gebouwd, met grote schotten die bij watersnood kunnen worden verwijderd. Als dat gebeurt, zal in een gebied van bijna 400 hectare zo'n 4 miljoen kubieke meter water worden ingelaten. Omdat tegelijk de wegen en hier en daar een enkele boerderij zijn verhoogd, blijven bij dat inlaten de bedrijven droog en bereikbaar. Met de boeren is een schaderegeling voor het verlies van oogst of hooi overeengekomen.

Andere gebieden die worden klaargemaakt voor het opvangen van overtollig water zijn de Oostpolder bij Anna Paulowna, de polders Lappenvoort, Glimmermade en Het Oosterland tussen Haren en Eelde, de Groote Brekken bij Lemmer en het glastuingebied in Delfland. In Delfland wordt tuinders gevraagd hun waterbassins bij dreigend hoog water te legen en beschikbaar te houden voor waterberging. In de andere drie gevallen gaat het klaarmaken van de polders voor de opvang van overtollig water gepaard met de inrichting van natte natuurgebieden en meer recreatie.

Het aanleggen van zoetwaterbassins met het oog op dreigende droogte is ingewikkelder. In dat geval moeten gebieden van enkele honderden hectares gedurende vele jaren blijvend onder water worden gezet. Zoveel ruimte is er in het westen van het land eigenlijk niet, terwijl tegelijk de noodzaak minder evident is dan bij het vaker dreigende hoog water. Ook is het blijvend opvangen van water wegens de slappe grond technisch moeilijker dan het klaarmaken van polders voor tijdelijke wateropvang.

De Unie van Waterschappen bekijkt de mogelijkheid van het aanleggen van zoetwaterbassins, maar neigt naar het meer dan nu aanspreken van bestaande, natuurlijke bekkens in geval van droogte. In dat geval moet vooral extra worden geïnvesteerd in sluizen en gemalen. De waterschappen denken met name aan extra waterinlaat uit IJsselmeer en Haringvliet. Van die bekkens wordt nu al volop gebruik gemaakt, maar daarbij gelden beperkingen omdat een zakkend peil ten koste gaat van natuurontwikkeling aan de oevers.