Markt is fataal voor nutsbedrijven

Het wordt hoog tijd dat de overheid het credo van de marktwerking verlaat en zich bezint op haar (mede-) verantwoordelijkheid voor de uitvoering van maatschappelijke taken, meent Alexander Vos de Wael.

Gasexplosies in Rotterdam, gigantische stroomstoringen in Amerika, kleinere in Nederland, reservecapaciteit stroomvoorziening eigenlijk onvoldoende, energieprijzen stijgen naar recordhoogte, het eerste faillissement van een leverancier van stroom in Almelo, vaarwegen worden wellicht afgesloten vanwege te lage waterstand in de rivieren, drinkwatertekorten in Friesland – het zijn enkele grepen uit het nieuws van de afgelopen weken. Het faillissement van de politiek veelgeprezen liberalisering, privatisering en marktwerking voor onze nutsvoorzieningen kan niet duidelijker aangetoond worden. De Nederlandse drinkwatersector ontspringt tot nu toe nog redelijk de dans, maar dat is slechts een kwestie van tijd, als de politiek niet eindelijk haar verantwoordelijkheid gaat nemen.

Op dit moment profiteren we in Nederland nog van de jarenlange onderzoeken en investeringen, die de watersector van oudsher al heeft gedaan. Hier hebben we de uitstekende drinkwatervoorziening in Nederland aan te danken, zowel wat kwaliteit als wat leveringszekerheid betreft. Gelukkig is dankzij oud-minister Pronk bereikt, dat de drinkwatersector in lokale overheidshanden is gebleven. Wel zou de tucht van de markt, in dit geval in de vorm van benchmarking, volgens politieke inzichten moeten aanzetten tot grotere efficiency bij de bedrijven, met lagere tarieven tot gevolg. Nu ben ik de laatste om te beweren, dat een bedrijfsmatige aanpak niet succesvol zou kunnen werken in een nutsbedrijf. Ook bij Hydron Zuid-Holland zijn we erin geslaagd, onze structurele kosten terug te dringen door doelmatiger te werken en een bedrijfseconomisch gezonder tarievenstelsel op te bouwen, ten gunste van zowel de consument als de zakelijke markt. De verhouding tussen vaste kosten en vaste inkomsten werd hierbij beter in balans gebracht. Dat hierop wordt gebenchmarkt tussen de waterbedrijven, opdat we van elkaar kunnen leren, is natuurlijk prima.

Het grote gevaar zit echter verscholen in wat we voor de lange termijn doen, of beter gezegd niet doen. Onderzoek en investeringen zijn lange termijnzaken, die ook pas op lange termijn (eventueel) vruchten afwerpen. Daar zou je niet op mogen bezuinigen om op korte termijn beter te scoren in de benchmark. Weinig directeuren van waterbedrijven (of hun commissarissen en aandeelhouders) zullen het echter aandurven, mindere benchmarkresultaten voor lief te nemen ten gunste van eventueel positieve lange termijneffecten. Iedereen wil immers graag de beste van de klas zijn. Onderhoud kan op korte termijn straffeloos worden uitgesteld, evenals investeringen in te vervangen of nieuwe infrastructurele werken (zoals leidingen of zuiveringsstations).

De reactie van de Nederlandse energiesector op het domino-effect, waardoor de enorme uitval in Amerika kon gebeuren, is opvallend: wij hebben in Nederland geen problemen, want wij hebben een ringstructuur. Onderhoud en investeringen in het net blijven hierbij buiten beschouwing. Nutsbedrijven gaan steeds meer hun grenzen opzoeken, is mijn overtuiging. Verlenging van de technische levensduur tot ver boven de economische levensduur betekent immers `kassa'. Pas bij calamiteiten – en de recente droogte is daar een voorbeeld van – worden de effecten zichtbaar. Dit moet een rijk land als Nederland niet willen. Mijn indruk is, dat de maatschappelijke taak die wij te vervullen hebben, niet de plek krijgt die het verdient in het politieke denken. Als het fout gaat worden Kamervragen gesteld, wordt weer een onderzoekscommissie ingesteld, maar men blijft sturen op nóg meer efficiency, nóg lagere tarieven. Ook de drinkwatersector wordt hierdoor `bedreigd', terwijl de kwaliteit van product en dienst al jaren zeer hoog is, de klanttevredenheid groot is en de prijs van het product laag in verhouding tot ons inkomen. Welk probleem denken de politici dan op te lossen door verplichte benchmarking en de eventuele instelling van een toezichthouder?

In de drinkwatersector namen we altijd liever het zekere voor het onzekere, omdat we de volksgezondheid hoog in het vaandel hebben. Zo hielden we bijvoorbeeld vaste vervangingstermijnen voor leidingen aan. De werkelijke levensduur van leidingmateriaal was onbekend, dus hielden we een veiligheidsmarge aan teneinde buisbreuken zoveel mogelijk te voorkomen. Nu doen we als sector onderzoek naar de levensduur van leidingmateriaal. Het probleem bij simulaties en duurproeven is echter, dat lang niet alle invloeden kunnen worden meegenomen. Wanneer de levensduur tussen de 30 en 60 jaar ligt, is het voor de hand liggend dat we niet eens alle van invloed zijnde factoren zullen kennen. Het beknibbelen op veiligheidsmarges en op een voldoende aantal geschoolde medewerkers kan ons op enig moment duur komen te staan. Het wordt hoog tijd dat de overheid het credo van marktwerking verlaat en zich bezint op haar (mede-) verantwoordelijkheid voor de uitvoering van maatschappelijke taken. Daar mogen we best wat geld voor over hebben, teneinde ook onder calamiteuze omstandigheden niet direct droog of in het donker komen te staan.

Alexander Vos de Wael is algemeen directeur drinkwaterbedrijf Hydron Zuid-Holland.