Guerrilla tegen de VN

Bij de aanslag op een Amerikaanse kazerne in Beiroet werden 241 Amerikaanse soldaten gedood. Op dezelfde dag verloren bij een andere aanslag, ook met aan autobom, 85 Franse mariniers het leven. Dat was in oktober 1983. President Reagan concludeerde dat militaire aanwezigheid in Libanon geen nationaal belang was. In februari 1984 waren de Amerikanen vertrokken. Dat heeft de reputatie van deze president geen kwaad gedaan. Het was geen heldhaftig maar wel een verstandig besluit. Deze oplossing is in Irak niet mogelijk.

Behalve dat er toen ook al terreur was en de autobom een bekend wapen, valt de situatie van 2003 vrijwel niet met die van 1983 te vergelijken. Een maand of drie, vier na het einde van de grote, officiële oorlog doemt in Irak het beeld op van de langgerekte guerrilla tegen de bezettende macht, bestaande uit 148.000 Amerikanen, 30.000 Britten en 19.000 andere nationaliteiten onder wie 1.000 Nederlanders. Die zijn daar niet alleen voor de veiligheid. Ze moeten de grondslag leggen voor de wederopbouw van het land, en het stichten van de democratie.

De nieuwe guerrilla die, voorzover dat uit de aard en de frequentie van de acties blijkt, nu vorm begint te krijgen, legt zich er niet op toe de bezetter militair te verslaan. Het gaat erom met alle middelen, behalve de militaire confrontatie, hem het leven onmogelijk te maken. Verschroeide aarde, iedere dag ergens anders, iedere dag een verrassing. Amerikaanse soldaten worden neergeschoten. Dat hoeven er niet veel te zijn om het moreel van het geheel aan te tasten. Openbare voorzieningen, in een stadium van herstel, worden opnieuw verwoest. En dan vooral ook de vrienden van de bezetter moeten zich van hem afkeren. Irakezen in dienst van de coalitie, straks misschien leden van de voorlopige regeringsraad, twee weken geleden de ambassade van Jordanië, en gisteren de Verenigde Naties zelf met zijn gerespecteerde vertegenwoordiger Sergio Vieira de Mello en twee van zijn voornaamste medewerkers. Het schrikbewind van de guerrilla laat een bewijs van zijn programma achter. Het programma bestaat uit het handhaven van de chaos.

Over de vraag op wiens kosten dat in eerste aanleg zal gebeuren, zijn we vlug uitgepraat. Het Iraakse volk, de gewone mensen die zo vlug mogelijk weer een veilig leven willen leiden, met schoon water en elektrisch licht, de kinderen naar school, enz. Zoals is gebleken, is dat nog niet gelukt, en de vooruitzichten zijn ook niet goed. Het winnen van the hearts and minds had allang achter de rug moeten zijn. Het verzet, ook het niet-terroristische, is juist door het gebrek aan succes van dit vreedzame vervolg op de oorlog krachtig bevorderd. Dan dient zich, zoals bij iedere guerrilla de volgende, de praktische vraag aan: welke partij heeft de langste adem?

Herinneren we ons nog even het belangrijkste motief voor de oorlog. Dat was níet de opsporing en vernietiging van de massavernietigingswapens – nu voornamelijk nog het probleem van premier Blair – maar het verwijderen van Saddam Hussein, als eerste stap naar de reconstructie van het hele Midden-Oosten, het grand design, zoals dat bijvoorbeeld in de geschriften van de briljante onderminister van Defensie Wolfowitz wordt beschreven. Een wereldproject van jaren, waardoor uiteindelijk zelfs het terrorisme van de fundamentalistische krachten binnen de islam zouden worden verslagen.

In grote trekken waren, en zijn er twee scholen. De eerste zegt: alles goed en wel, maar begin met de oplossing van het Palestijns-Israëlische probleem. Dat zal de Amerikaanse geloofwaardigheid in de regio doen toenemen en derhalve de rest van de onderneming, hoe moeilijk ook, vergemakkelijken. De tweede school was – en is misschien nog, dat weten we nu niet – van mening dat door de machtsontplooiing tegen Irak, gevolgd door een voorspoedige wederopbouw, de volken in de regio overtuigend gedemonsteerd zullen zien dat de `moderniteit', ook in landen waar de islam de overwegende godsdienst is, verre de voorkeur verdient boven de theocratische halve of hele dictatuur. Of dat nu een meer of minder neoconservatief concept moet worden genoemd, is een probleem van de tweede orde. Het gaat om de uitvoerbaarheid. En die staat of valt weer met de snelheid waarmee het grand design zich zou voltrekken.

Hoe trager, hoe onwaarschijnlijker het succes. Want ook Amerika is niet onuitputtelijk, in zijn materiële reserves noch in zijn politieke energie. In feite is Washington nu op drie fronten actief: in Afghanistan, het Israëlisch-Palestijns conflict en Irak. Op het omslag van The Economist van deze week staat een tekening waarin het wordt samengevat: de angstig kijkende Amerikaanse soldaat die behalve zijn eigen wapens ook nog deze vracht moet torsen. Show me the way to go home, staat erbij. De kosten, de politieke inspanning, de draagkracht van het moreel naderen het punt waarop dit alles niet verder kan worden gerekt.

Ziehier de kern. Er is geen way to go home, tenzij door het grand design voorlopig op te bergen, wat voor de regering van president Bush, zeker nu de verkiezingsstrijd van volgend jaar al stevig wordt voorbereid, gelijk staat met het erkennen van een fiasco. Voor Bush en de zijnen mag Irak geen `Vietnam' worden, op straffe van hun eigen ondergang. Om die toekomst te vermijden, alsnog de hearts and minds van het Iraakse volk te winnen, zouden dan bijvoorbeeld de Amerikanen meer ruimte moeten maken voor de Verenigde Naties. Vandaar waarschijnlijk dat die juist het nieuwe doel van de guerrilla zijn. Van de omliggende landen in de regio valt geen sympathie, laat staan substantiële hulp te verwachten; en die is trouwens van `schurkenstaten' ongewenst. De nieuwe guerrilla's in Irak zijn een oorlog begonnen, niet alleen tegen Amerika, ook tegen de Verenigde Naties voorzover die het Westen vertegenwoordigen. Irak heeft op het ogenblik alle eigenschappen om, na Israël-Palestina, en ook zonder exit strategy tot de nieuwe vicieuze cirkel in de regio te worden. De Britse historicus Paul Kennedy noemt het imperial overstretch. Dit is een duidelijk geval in wording.

PS. Vorige week, in mijn Notities over de hitte, heb ik me een opmerking over CO2 veroorloofd. Daarmee heb ik mij – heb ik gemerkt – gemengd in de meteorologische versie van de discussie over het ietsisme. Ik ben nog aan het studeren.