Artsen hebben geen tijd om de bebloede bedden te verschonen

Een revalidatiecentrum naast het Canal Hotel stortte gisteren eveneens in door de bomaanslag.

De twaalfjarige Haneen Maan Abdul kan zich geen geluid herinneren. Alleen een klap waardoor haar kleine lichaam uit het ziekenbed werd gegooid. Toen een verblindende stofwolk. En toen de schreeuwen om hulp.

Zoals voor veel patiënten in het naast het Canal Hotel gelegen ziekenhuis betekende de bomaanslag van gisteren voor Haneen opnieuw een tragedie. Twee maanden geleden speelde ze op het dak van haar huis toen een Amerikaanse helikopter naar beneden dook tijdens een aanval op een nabijgelegen huis. Bang voor de rotorbladen, gleed ze uit, viel van het dak en brak haar rug. Gisteren was Haneen – een beugel over haar paarse pyjama – een van de tachtig patiënten in het revalidatiecentrum toen het dak instortte door de explosie. De patiënten raakten bedolven onder hout, dakpannen en puin.

De gelukkigen, onder wie Haneen die alleen gewond raakte aan hoofd en ledematen, werden door bezoekende familieleden in veiligheid gebracht. Veel anderen lagen hulpeloos en onbeweeglijk te wachten en probeerden op eigen kracht naar buiten te kruipen. ,,Het was als de dag des oordeels'', zegt Majid Hamed, wiens 16-jarige zoon deels verlamd raakte bij een auto-ongeluk. ,,Iedereen schreeuwde.''

Artsen van het Al-Kindiziekenhuis, waar de gewonden werden heengebracht, konden gisteren alleen maar speculeren over wat gevolgen van de aanslag en de gehaaste evacuatie voor de patiënten zullen zijn. ,,Het is zeer ernstig'', zei een eerste hulparts terwijl hij van patiënt naar patiënt rende.

In het hotel zelf, waar de Verenigde Naties al meer dan een decennium hun hoofdkwartier in Irak hadden, wikkelden de werknemers hun werk af voor ze naar huis hingen. Zij die in kantoren aan de straatkant werkten, kregen de volle laag. Darko Mocibob, een Bosniër die zich normaal vanuit New York met Irak bezighoudt, zat aan de telefoon. Glasscherven reten zijn rug open, een snee van bijna 23 centimeter is op zijn rug zichtbaar. ,,Plotseling was er alleen maar stof'', vertelt hij. ,,Ik raakte gedesoriënteerd. Op de een of andere manier wist ik naar buiten te strompelen.''

Jean Jacques Frere, een Franse arts die drie dagen geleden in Irak aankwam om te helpen bij de wederopbouw van de Iraakse gezondheidszorg, staat met zijn hoofd in het verband op de eerste hulp van het ziekenhuis. Hij houdt nog steeds een bebloed koffertje vast. ,,Ik denk dat ik mezelf maar moet verbinden'', zegt hij terwijl hij een ernstig verwonde linkerhand ophoudt.

Volgens hem maakten VN-medewerkers zich steeds meer zorgen dat het hotel doelwit zou kunnen worden, maar kwam er geen waarschuwing voorafgaand aan de aanslag. ,,Dus nu is de hele donorgemeenschap een doel geworden'', zegt hij.

In het revalidatiecentrum waren Haneen, haar ouders en jongere broertje net van plan te gaan eten. ,,We hoorden niets'', vertelt haar vader Maan Abdul Hafidh. ,,Plotseling stortte het plafond in.'' Hij haastte zich om zijn dochter te bereiken, en ze renden het gebouw uit. Maar op straat waren reddingshelikopters bezig de gewonden op te halen en Haneen herinnerde zich haar ongeluk. Ze begon te trillen en te gillen: ,,Zorg dat de helikopters weggaan'', huilde ze. ,,Zorg dat ze weggaan.''

Eenmaal bij het Al-Kindiziekenhuis, was de familie wanhopig omdat Haneen zei dat ze haar benen niet kon voelen, iets dat nog niet eerder was gebeurd. Maar anderhalf uur later is het gevoel terug, en stelt ze een opmerkelijke veerkracht ten toon. Pulkend aan haar rode nagellak glimlacht ze schaapachtig als een vreemdeling naar haar naam vraagt. ,,Ik was erg bang'', zegt ze. ,,Maar godzijdank, nu gaat het goed.''

Met Isam Jameel, 29, die vorige maand in zijn nek werd gestoken, gaat het minder goed. Hij en zijn broer Usana zaten televisie te kijken toen de aanslag plaatshad. ,,Alles gebeurde binnen een fractie van een seconde'', herinnert Usana Jameel zich, terwijl hij op de eerste hulp zijn broer in zijn armen wiegt. Hij droeg Isam na de klap naar buiten, de chaos in. ,,Mensen vochten om een plekje in de ambulance. Een paar helikopters landden, maar vlogen weg zonder iemand mee te nemen.'' Eenmaal in het ziekenhuis aangekomen, probeert Isam zich om te draaien om niet op zijn doorgelegen plekken te hoeven liggen. Hij hapt naar lucht. ,,Hij krijgt geen adem'', schreeuwt Usana. ,,Help hem.''

Maar de artsen zijn beperkt in hun kunnen, tientallen gewonden liggen te wachten in bedden, in de hal en in de operatiekamers. Patiënten kronkelen van pijn terwijl familieleden hun met stukjes karton wat koelte proberen toe te wuiven. In een geïmproviseerde triage-plek hechten artsen diepe wonden bij verbaasde patiënten, die pijnlijke gezichten trekken door het ontbreken van pijnstillers. De vloeren en bedden zijn doordrenkt met bloed, maar er is geen tijd om schoon te maken voor het volgende slachtoffer werd binnengedragen.

In zijn ondergoed ligt een Iraakse politieagent op een stretcher te wachten, zijn nieuwe blauwe uniform door de artsen opengeknipt. Een wond op zijn gezicht zorgt ervoor dat hij niet kan spreken; hij krabbelt zijn naam op een stukje papier zodat ziekenhuismedewerkers zijn familie kunnen inlichten.

Op de parkeerplek van het ziekenhuis zoeken familieleden en vrienden verwoed naar hun geliefden. ,,Dit is mijn zoon Heider'', huilt een moeder, terwijl ze op en neer loopt met een foto van een jonge man. ,,Kent u hem? Hebt u hem gezien? Alstublieft, vertel het me.''

In de wachtkamers overheerst er vooral woede. ,,Kijk wat de Amerikanen ons brengen'', schreeuwt een vrouw. ,,Saddam is weg, maar nu is er geen veiligheid.'' In een ander ziekenhuis waarschuwt arts Arkan Badr Hassan dat de Iraakse ziekenhuizen niet berekend zijn op dit nieuwe klimaat van geweld. Nog geen twee weken geleden werden hier de slachtoffers van de aanslag op de Jordaanse ambassade gebracht. Gisteren arriveerden vijf nieuwe patiënten. ,,Dit is een vuil spel'', zegt Hassan. ,,Al deze slachtoffers, dat heeft niets met politiek te maken. We zijn nog steeds in oorlog.''

© Los Angeles Times