AIVD-tips worden bruikbaar voor justitie

Veroordeling van vermeende terroristen bleef tweemaal uit doordat inlichtingen van de AIVD als onrechtmatig bewijs werden beschouwd. Maandag kwam het wel tot een veroordeling. Gaat de rechter om?

Neemt de Nederlandse justitie de dreiging van terroristen uit de sfeer van Al-Qaeda wel serieus genoeg? Die vraag stelden de Amerikaanse terreur-analisten Stakelbeck en Vidino op de opiniepagina van deze krant van 7 augustus. Aanleiding was de vrijspraak im mei door de rechtbank in Rotterdam van twaalf verdachten van rekrutering voor de jihad (heilige oorlog).

Dit oordeel volgde op een vrijspraak door dezelfde rechtbank, in december vorig jaar, van andere verdachten op een aanklacht van steun aan terrorisme. In beide gevallen was het gebruik van informatie van de binnenlandse inlichtingen- en veiligheidsdienst AIVD in het strafproces het grote struikelblok voor de rechters. De Amerikaanse critici vonden dat maar overdreven.

Nu heeft het openbaar ministerie in Rotterdam dan toch zijn eerste punt gescoord tegen een Algerijnse verdachte uit het terrorismecircuit. Toch was ook in dit proces AIVD-materiaal in geding. De verdachte werd veroordeeld voor het vervalsen van paspoorten maar vrijgesproken van deelneming aan een criminele (terroristische) organisatie. Een gemengd resultaat dus. Duidelijk is wel dat de rechtbank Rotterdam sinds de uitspraak in december vorig jaar een stap heeft teruggedaan. Dit gebeurde na een tussenvonnis van het gerechtshof in Den Haag – een hogere rechter.

Of is het slechts een stap opzij? Het hof gaf de lagere rechter op 25 april een duidelijke hint door te stellen dat deze de rechtmatigheid van AIVD-informatie ,,slechts in zeer beperkte mate'' kan toetsen. De rechter kan dergelijke informatie alleen weigeren als sprake is van een (grove) schending van fundamentele rechten.

Het probleem van de scheiding van inlichtingenwerk en strafrechtelijke opsporing blijft een juridisch knelpunt, zo erkent ook het gerechtshof. De AIVD wordt door de wet uitdrukkelijk opsporingsbevoegdheid onthouden. Dat is een uiting van de ,,strikte scheiding'' van binnenlandse veiligheid en strafrecht. Geen wonder, gezien de noodzaak bronnen en modus operandi (werkwijze) van een veiligheidsdienst af te schermen. De strafrechtspleging is echter gegrond op het beginsel van ,,onmiddellijkheid''. Dit zegt dat de rechter alleen mag oordelen op grond van materiaal dat op de terechtzitting aan hem wordt voorgelegd – en dat dus, ook voor de verdediging, controleerbaar is.

De scheiding tussen inlichtingenwerk en strafrecht doet zich ook voor in het land van de Amerikaanse critici van de Nederlandse strafrechtspleging. Na de aanslagen van 11 september 2001 is een hele strijd gevoerd over het aftappen van de telefoons van Amerikaanse burgers op grond van de Foreign Intelligence Surveillance Act (FISA). Een speciale rechtbank bepaalde dat de autoriteiten deze speciale bevoegdheid alleen konden inroepen als zij aannemelijk maakten dat het om de externe veiligheid ging en niet om een strafzaak in de VS. Een speciaal hof van beroep schoof november vorig jaar dit oordeel echter opzij en verklaarde dat er geen strikte juridische scheiding tussen inlichtingenwerk en justitie bestaat. Het federale Hooggerechtshof heeft dit oordeel eerder dit jaar zonder nadere motivering bevestigd.

Tips uit het inlichtingencircuit kunnen wel degelijk dienen als ,,startinformatie voor een strafrechtelijk onderzoek'', betoogde mr. Lieske van Wifferen, junior-medewerker strafrecht aan de Katholieke Universiteit Nijmegen, in het Juristenblad. Men kan zich trouwens afvragen in hoeverre het OM verantwoordelijk kan worden gehouden voor de handelwijze van een inlichtingen- en veiligheidsdienst waarover het geen zeggenschap heeft. Dat is het hof in Den Haag echter ook te kort door de bocht. Weliswaar dient in de relatie tussen AIVD en justitie ,,het vertrouwensbeginsel' te gelden. Maar het hof waarschuwt ook dat door de verdediging betwiste informatie van de AIVD ,,een behoedzame afweging van de bewijskracht'' verdient.

De rechtbank in Rotterdam heeft deze draad opgepakt en een aantal tapverslagen van bewijs uitgesloten. Het valt voor de rechter namelijk niet na te gaan of de telefoontaps door de AIVD (toen nog BVD) in overeenstemming met de wettelijke voorschriften waren uitgevoerd. Dus moet het als onrechtmatig bewijs gelden. Zo gemakkelijk komen justitie en inlichtingendienst nu ook weer niet van Rotterdam af.