Tierelierelom

In de zomer wordt door stadsbewoners een muzikaal offensief gevoerd. Hier woon ik, ik kan niet anders. Wie dit niet mooi vindt, maakt maar dat hij wegkomt.

Op stralende zomermiddagen waarop iedereen de ramen wijdopen heeft staan, ben ik me ervan bewust dat het ongelijk verdeeld is in de wereld. Half Amsterdam wordt op zulke momenten door burengerucht geteisterd. Het adrenalinegehalte stijgt door de verschrikkelijkste radiodeunen en sportreportages die je niet wilt horen en dan mag je nog blij zijn dat het de hogedrukspuit of de zaagmachine niet is. Mag het wat minder? O, die zeikerd kan weer niets hebben van zijn medemens! Dus je gooit je oud-Keltische liervariaties maar weer tegen de heavy metal van driehoog in.

Zullen we de buurtagent bellen? En op datzelfde ogenblik wordt mij gratis en voor niks het prachtigste concert aangeboden. Door mijn overbuurman. Waar heb ik het aan verdiend?

De buurman in kwestie bewoont een boot tegenover ons huis en combineert een uitgelezen smaak voor muziek met een kom-maar-op-houding die je agressief zou noemen als het om minder verfijnde klanken ging. Het raam van zijn boot gaat open, de stereo-installatie op maximaal en de overliggende panden, de woonboten ter weerszijden, de langslopende en -fietsende passanten worden in een wolk van muziek gehuld: ijle violen zingen tere sonates, fiere trompetten geven weidse blaaspartijen ten beste of deftige clavecimbelklanken wandelen als schimmen uit de pruikentijd bij je binnen.

In de lijdenstijd bezorgen melancholieke passies je het kippenvel op de armen. Op zijn minst is de muziek interessant; als er al eens zangkoren of aria's bij zijn die me minder bevallen, denk ik al snel: ik luister zeker niet goed. Zo'n soort buurman.

Vroeger, toen ik hem nog nooit gezien had, stelde ik me hem voor als een broze, bleke, door het muzikaal klimaat in dit land gekwelde figuur; een grijzende intellectueel die een daad wil stellen tegen de brulbootterreur waardoor de stad in toenemende mate geplaagd wordt; de optocht van sloepen vol lallers die op mooie dagen met een bierpomp aan boord voorbij komen varen. Haydn of Bach kunnen dan het tegengif zijn waarnaar een ascetisch ingesteld brein hunkert. Maar die veronderstelling zit er geheel naast.

De overbuurman is een jonge Antilliaan of Surinamer, die ik, als ik eigenares van een disco was, onmiddellijk als portier in dienst zou willen nemen. Eén blik op zijn gespierde torso en wie zich misdraagt druipt met hangende pootjes af. Hij zou zijn delicate gehoor echter niet aan mijn disco blootstellen, vrees ik. Altijd leuk als hokjesdenken afgestraft wordt.

Het is een muzikaal offensief dat tegenover mijn huis wordt gevoerd, het muzikaal opheffen van de poot om de geurvlag te planten. Hier woon ik, ik kan niet anders; wie dit niet mooi vindt, maakt maar dat hij wegkomt. Of misschien moet je het zendingsdrang noemen: dit is de Waarheid en het Leven. Luister wie luisteren kan. Nog nooit heb ik een van mijn buren een onvertogen woord over de opgedrongen genietingen horen zeggen. Integendeel.

Mooi, wat hij nu weer heeft opstaan, zeggen we soms als we elkaar op straat tegenkomen. Af en toe zie je een fietser afstappen om op zijn gemak eens even tussen de geparkeerde auto's te blijven toehoren.

Aan het eind van een warme zatermiddag ben ik net verhit met een tas boodschappen thuisgekomen of ik zie de overbuurman ook zijn fiets voor de boot neerzetten. Zijn overweldigende spierballen rollen onder de mouwtjes van zijn muscle-shirt bij het vastmaken van de fietssloten. Even later wordt het voorraam van de boot wijd opengegooid. Goed zo, daar gaan we weer. Ik maak een gin-tonic klaar, schuif mijn eigen raam omhoog en val op de bank neer met de krant, in afwachting van het vandaag gebodene. Van mij mag het weer het pittige Spaanse-gitaargetokkel van gisteren zijn. Maar Sjostakovitsj als die het was van een paar dagen terug zou ook perfect bij de warmte en de gin-tonic passen.

Het duurt een tijdje, maar dan klinkt luid vanuit de boot: Advocaatje ging op reis, tiereliereliere. Advocaatje ging op reis, tierelierelom.

O sewiesewo, sewiesewalla, kristalla, kristo....

Poesje mauw, kom eens gauw, ik heb lekk're melk voor jou...

Ik staar wat glazig door het raam.

Heel mooi gezongen. Beslist!