Gemeenten moeten clubs niet spekken

Door voetbalclubs financieel te steunen geven gemeenten een totaal verkeerd signaal af, menen Bob Heere en Egbert Oldenboom.

Het afgelopen jaar werden de licentieaanvragen van 30 van de 34 professionele voetbalclubs door de KNVB in eerste instantie afgewezen. Slechts met veel moeite slaagden clubs erin om er alsnog één te krijgen. In Utrecht, Enschede, Waalwijk, Oss, Alkmaar, Den Bosch, Deventer en Rotterdam moest het plaatselijke bedrijfsleven en de gemeente bijspringen om de `betaald voetbal organisatie' (BVO) te redden van een faillisement.

Burgermeester Leers van Maastricht daarentegen weigerde financiële steun aan de BVO omdat hij van mening was dat het financiële tekort van MVV te wijten was aan de Maastrichtse vereniging zelf en hij vond dat hij nieuwe steun niet kon verantwoorden tegenover de Maastrichtse burger.

Helaas volgen de meeste burgemeesters dit voorbeeld niet. Gemeenten voeren een ad hoc beleid, waarbij de vrees voor de harde kern van de fans, de kritiek van de regionale sportmedia en de op emotie gebaseerde besluitvorming van de gemeenteraad meer gewicht in de schaal leggen dan de wens een effectieve oplossing te vinden – een oplossing die gebaseerd zou moeten zijn op een goede analyse van de financiële situatie.

Uit een NIPO-onderzoek onder Nederlandse burgers blijkt dat driekwart van de ondervraagden een tegenstander is van publieke steun aan voetbalclubs in nood. Waarom steunen gemeenten dan toch clubs? Een argument dat vaak gebruikt wordt om steun te rechtvaardigen is het belang van de club voor `city-marketing'. Een professionele club wordt gezien als uithangbord voor een gemeente en zou voor economische aantrekkingskracht zorgen in de regio. Uit diverse onderzoeken uit de Amerikaanse sportwereld blijkt echter dat de economische betekenis van een professionele sportorganisatie voor een regio beperkt is. Qua werkgelegenheid en toerisme voegen zij weinig toe aan de plaatselijke economie. De economische betekenis van een BVO op zich is dan ook onvoldoende om miljoenen euro's te steken in een plaatselijke voetbalclub.

De zogenaamde positieve neven-effecten van een voetbalclub binnen de gemeentegrenzen, zoals positieve invloed op de naamsbekendheid, bestaan wel, maar het is de vraag of deze effecten de investeringen van vele miljoenen in een plaatselijke BVO kunnen rechtvaardigen. De drie clubs die enige naamsbekendheid hebben in het buitenland zijn nu juist de clubs die momenteel geen financiële crisis kennen. Daarnaast wordt steun verstrekt aan BVO's omdat gemeenten in veel gevallen al jaren een financieel belang hebben in de club – denk aan de realisatie van al die nieuwe stadions de afgelopen vijftien jaar. Stoppen met deze steun wordt gezien als kapitaalvernietiging. In de politiek kosten verkeerde beslissingen veel geld, maar nog altijd slechts een fractie van wat het kost om toe te dekken dat ze verkeerd waren.

Het Bosman-arrest uit 1995 dat behelst dat spelers vrij zijn hun club te verlaten zodra hun contract afloopt, trekt nog steeds zijn sporen door het betaald voetbal. Nadat Ajax in één jaar Kluivert, Davids, Reiziger en Bogarde kwijtraakte zonder daar één cent aan transferinkomsten aan terug te verdienen, zagen veel clubs maar één oplossing om een dergelijk rampscenario te voorkomen: langdurige contracten. Echter, om spelers zover te krijgen dat zij contracten voor lange termijn ondertekenen, moest er meer geld op tafel komen. Dit had als gevolg dat in enkele jaren de salarissen van voetballers de hoogte in schoten. Op korte termijn leek er geen probleem te zijn: de inkomsten bleven in dezelfde mate groeien als de uitgaven, dankzij de verhoogde media-inkomsten, de nieuwe stadions, de verhoogde sponsoringbedragen en inkomsten uit transfers.

Nu de economische recessie ook zijn intrede doet in het betaalde voetbal blijkt de strategie van langdurige contracten voor hoge bedragen niet meer haalbaar. De vaste lasten, zoals de loonkosten, zijn de pan uit gerezen en nu deze niet meer te compenseren zijn met transferinkomsten komen veel BVO's in de problemen. Blijkbaar is er geen weg terug. Ondanks de financiële problemen bij een groot deel van de BVO's zijn de salarissen van de gemiddelde Holland Casino Eredivisiespeler het afgelopen jaar niet gedaald.

Clubs hebben een strategie ontwikkeld waarbij steeds hogere lasten (salaris) en steeds vastere lasten (langere contracten) gefinancierd worden door conjunctuurgevoelige inkomsten. En nu het fout gaat, houden BVO's hun hand op bij het bedrijfsleven en de gemeenten.

En de gemeenten trappen erin. Ruimhartig worden stadions en verplichtingen overgenomen, een kleine maar lawaaiige groep van supporters wordt stil gehouden en de regionale en nationale sportmedia zorgen voor de broodnodige publiciteit. Maar omdat de oorzaak van het probleem, een verkeerde match van inkomsten en uitgaven niet wordt aangepakt, verdwijnt het geld in een bodemloze put. Bovendien lijkt de boodschap dat de gemeente, als het puntje bij het paaltje komt, de beurs trekt en dit is een gevaarlijk signaal naar de bestuurders, de supporters en de spelers. Een sanering zou voor sommige gemeenten een zegen zijn geweest: waarschijnlijk was er een matigende invloed op de salarissen vanuit gegaan, wat ten goede was gekomen aan de sector als geheel.

Voor de clubs wordt door het huidige beleid op korte termijn het bestaan veiliggesteld, maar op lange termijn worden door financiële hulp ongezonde clubs kunstmatig in leven gehouden. Hulp die nu langzamerhand vanuit allerlei kanten gekritiseerd wordt en zich mag `verheugen' in toenemende aandacht van bijvoorbeeld de Europese Commissie. Artikel 87 van het Europese Gemeenschapsrecht verbiedt op grond van oneerlijke concurrentie publieke financiële steun aan economische organisaties en BVO's worden als zodanig beschouwd.

De voorzitter van De Graafschap zal dit beamen. Zijn club voert een financieel gezond beleid, degradeerde en moest lijdzaam toezien dat NAC sportief in het zadel werd gehouden door de gemeente Breda.

In het belang van betaald voetbal en het voorkómen van oneerlijke concurrentie moeten gemeenten stoppen met het ad hoc financieren van clubs. Een eerste voorwaarde moet zijn dat de financiën structureel op orde zijn en dat lopende uitgaven niet worden gefinancierd met inkomsten uit transfers. Voorts moet het niet langer worden uitgesloten dat clubs failliet kunnen gaan. De huidige situatie, waarin dit vrijwel niet mogelijk is, is schadelijk, voor de gemeente en voor de bedrijfstak zelf.

Bob Heere en Egbert Oldenboom zijn betrokken bij het onderzoeksprogramma `Betaald Voetbal' van het W.J.H. Mulier Instituut, centrum voor sociaal wetenschappelijk sportonderzoek.