Economie EU moet soepeler

Europa heeft zich meer dan tien jaar gedwee gevoegd naar wat Amerika op economisch gebied verkondigde – ook al handelde Amerika daar zelf in de praktijk niet naar. Het is de hoogste tijd dat Europeanen zelf gaan nadenken, vindt William Pfaff.

Hoever zal de Europese opstand tegen de economische rechtzinnigheid gaan? Frankrijk is voornemens een strategische industrietak die het nog maar zes jaar geleden heeft geprivatiseerd, opnieuw te nationaliseren. Zowel Duitsland als Frankrijk heeft een begrotingstekort dat indruist tegen de monetaire rechtzinnigheid die bij de Europese Centrale Bank in intellectueel beton is gegoten.

Het ECB-beleid inzake de nationale begrotingen krijgt alom de schuld van de trage groei en de hoge werkloosheid waarvan de laatste in een groot deel van West-Europa sprake is. Voorzitter Romano Prodi van de Europese Commissie heeft het ECB-beleid `dom' genoemd, maar het is in Frankfurt nog altijd het ware geloof.

Duitsland was verantwoordelijk voor de starre voorrang die bij de oprichting van de ECB is gegeven aan anti-inflatie ten koste van groei. Terecht, hoe wrang ook, heeft Duitsland sindsdien de hoogste prijs aan werkloosheid betaald.

De keuze van de sociaal-democratische kanselier Gerhard Schröder wordt gedicteerd door politiek en economisch realisme. Ofwel hij stimuleert de Duitse economie – nu officieel in een recessie – met overbesteding en belastinghervorming, ter ondersteuning van het akkoord dat hij juist heeft bereikt over een structurele sociale en fiscale hervorming, ofwel zijn politieke loopbaan dreigt weg te zinken in de poel van economische ellende. We zijn weer terug bij Keynes.

Frankrijk ligt op dezelfde koers. De conservatieve regering van Jean-Pierre Raffarin heeft ook verkozen de – tot dusver succesvolle – pensioenhervormingen gepaard te laten gaan met begrotingstekorten en investeringsprikkels. De Franse minister van Financiën Francis Mer heeft, met de regering en Jacques Chirac achter zich, het strategische besluit genomen tot het terugkopen van een meerderheidsbelang in Alstom, bouwer van schepen (waaronder het eerste nieuwe transatlantische lijnschip sinds veertig jaar, de Cunard Queen Mary II) en hoge-snelheidstreinen. Zonder onmiddellijke overheidssteun staat het bedrijf vrijwel zeker voor een faillissement. Maar de Franse actie tart de mededingingsregels van de EU.

Een kostbare privatisering in 1997 (de twee belangrijkste partijen, Alcatel en GEC, betaalden zichzelf destijds 2,5 miljard dollar), een rampzalige overname, een gebrek aan klanten en de huidige marktomstandigheden hebben het bedrijf aan de rand van de afgrond gebracht.

Frankrijk en Duitsland zijn betrokken bij een groeiende opstand tegen de monetaire rechtzinnigheid en het neoliberale Amerikaanse model van het kapitalisme. Ook tal van Amerikanen zijn van mening dat het model van het bedrijfskapitalisme dat sinds het begin van de jaren tachtig is gepropageerd de rijken heeft verrijkt, terwijl het ernstige schade aan samenlevingen en economieën heeft toegebracht.

De econoom en Nobelprijswinnaar Joseph Stiglitz was één van de eerste critici van `de consensus van Washington', het beleid dat het IMF oplegde aan derdewereldeconomieën die op zoek waren naar buitenlandse investeringen. Zoals het IMF nu zelf toegeeft, bevorderde dat beleid een destructieve kapitaalstroom op de korte termijn en een marktliberalisering waar rijke landen meer baat bij hadden dan arme.

Een vooraanstaand Frans econoom merkte onlangs op dat de Verenigde Staten een geweldige producent van economische theorieën zijn, maar dat die hoofdzakelijk voor de export blijken en niet voor binnenlands gebruik. De VS bedrijven stiekem keynesianisme en openlijk protectionisme als het zo uitkomt. De huidige Amerikaanse opleving is het gevolg van de plotselinge stijging van de overheidsuitgaven als gevolg van de oorlog met Irak. Keynesiaanser kan het niet.

Washington redde Chrysler in 1979, de spaarbanken, de luchtvaartmaatschappijen en nu weer zijn boeren en een niet-concurrerend maar politiek machtig deel van zijn staalindustrie. Het heeft de `sterke dollar' tegenover de euro zo'n 15 procent laten dalen. Maar toch predikt het vrijhandel.

De modellen die het economische denken al twintig jaar beheersen hebben indertijd hun nut gehad, maar de tijden zijn veranderd. In het verleden was het zinvol om zelfgenoegzame en inefficiënte staatsindustrieën te privatiseren. Op dit moment is het zinvol om strategische industrieën te behoeden voor het spel van onverantwoordelijke overnames en een leer die de winst per aandeel en het eigenbelang van de directie hoger stelt dan de belangen van werknemers en maatschappij, en zelfs boven het nationaal belang.

De Observer haalde vorige week hard uit naar de regering van Tony Blair omdat deze de verkoop heeft bevorderd van British Aerospace, de Britse ruimte- en defensiefabrikant van wereldklasse, aan Amerikaanse belangen. Dit zal onvermijdelijk tot Amerikaanse zeggenschap leiden. Het merendeel van de aandelen is al in buitenlandse handen.

Veel Britse defensietechnologie is naar het Westen gegaan, zoals de auto-industrie in de jaren tachtig werd uitverkocht aan Azië. Margaret Thatcher was een markt-absolutiste. Winst en markt weten het het beste, was haar standpunt. Zo wordt zeker niet gedacht in de VS, als het om strategische belangen gaat. Kan iemand zich indenken dat het Pentagon of het Congres toelaat dat Boeing overgaat in Britse of Franse handen?

De Europese regeringen, de Europese Centrale Bank en de Europese Commissie hebben zich meer dan tien jaar lang gedwee gevoegd naar de Amerikaanse theorieën, terwijl de Amerikaanse regering zelf die theorieën veelvuldig negeerde.

Dit kan zo niet doorgaan, omdat het niet werkt. De werkelijkheid gebiedt de Europeanen om zelf na te denken. Misschien zullen ze wel merken dat dit goed is voor iedereen, zelfs voor de Amerikanen. Iedereen moet inzien dat markten wel onpartijdig, maar niet verstandig zijn. Ze dienen niet automatisch het belang van een maatschappij of van een land.

William Pfaff is columnist. © Tribune Media Services International.