Drie-eenheid van lichaamssappen

Het uit ,,een langekoesterde droom van de redactie'' voortgekomen Grote Viespeukennummer van De Revisor laat zich op twee manieren beoordelen: welke stukken zijn het viest en welke stukken zijn het best?

Goed vies is het debuut van een zekere Robert Cleirmaekers, naar verluidt een Brusselse Zeeuw die ,,in tal van Vlaamse bladen'' zou hebben gepubliceerd – overigens zonder noemenswaardige sporen achter te laten. Zijn verhaal Volksdansen gaat over een jongen die bij zijn oom en tante logeert. Het is vies door de aanwezigheid van wat je de drie-eenheid van meest voor de hand liggende lichaamssappen (braaksel, poep en sperma) zou kunnen noemen, maar stijgt boven zichzelf uit door de absurde wendingen, waarvan slechts een deel wordt samengevat met de woorden: ,,Mooi is dat [...] Komt hierheen, spuugt ons kleed onder met gehakt, verstopt het stiekem onder het bed en poept dan zijn oom onder.''

Niet zo vies en eerlijk gezegd ook niet best is het plichtmatige Dood zaad op de buik van Anna Maria van Herman Franke. Niet heel erg vies, maar niet slecht zijn de bijdragen van Kees 't Hart (drie brieven over seks van een opgewonden vrouw), Ad ten Bosch (over een gsm als vibrator), A.F.Th. (een fragment uit het in januari verschijnende Moeilijke voeten), Ilja Leonard Pfeijffer (Uit het grote baggerboek) en Henk van Woerden, over een man die de haren van twee honden tot hoofdkussens laat maken. Ook in Onne Boekes Intertekstualiteit gooit een hond hoge ogen. Het dier doet dat tijdens een befwedstrijd, waarbij stevig in het rond wordt gespoten.

Viespeukerij lijkt voor de auteurs in De Revisor vooral neer te komen op het met maximaal effect laten stromen van grote golven diarree en braaksel, liefst tijdens seks. Daardoor dreig je al na een paar bijdragen in de kledder kopje onder te gaan, zonder dat het nog echt misselijkmakend wil worden.

Origineel vies én het beste is de bijdrage van Sevtap Baycili, de enige vrouw in de gore sectie van De Revisor (het nummer bevat ook nog dertig pagina's kuis proza, poëzie en essayistiek). In Mannengeur en boerenkoolbouillon vertelt Baycili over de ontbinding van een huwelijk ,,dat veel te lang duurde''. Daarbij komt het een en ander aan reguliere smeerpijperij kijken. Belangrijker is dat Baycili ook viezigheid uit een opmerkelijke bron haalt: uit de keuken. Daar wordt het vlees doorbakken, de groente kapotgefrituurd en de rest ,,vergeten in de oven''. Het van een diepe haat voor de ex-man doordrongen verhaal eindigt met een recept voor een geur waartegen geen echtverbintenis bestand is. Basis is het kookvocht dat overblijft na het koken van een pan boerenkool met aardappels: ,,Kook een ei. Snij het ei in vier stukken. Doe het ei in de boerenkoolbouillon. Laat het rijzen. Bacteriën hebben kamertemperatuur nodig. Laat het staan in de pan. Drie dagen lang. Nee nee, langer, erger. Een week. Een maand?''

De Revisor. 2003 Nummer 3. Uitg. Querido, 96 blz. €11,–