Blair negeerde advies topadviseur over dreiging Irak

Een topadviseur raadde de Britse premier Blair aan niet te reppen van een `onmiddellijke dreiging' die zou uitgaan van de Iraakse leider Saddam Hussein.

Elektronische post uit september vorig jaar van medewerkers van premier Blair brengt verdeeldheid aan het licht in de boezem van de Britse regering over de ernst van de dreiging die uitging van de Iraakse leider Saddam Hussein. Ook werpen de e-mails enig licht op de inspanningen die de regering zich getroostte om de argumentatie vóór een oorlog in Irak rond te krijgen.

De e-mails kwamen gisteren aan de orde op de vijfde dag van de verhoren in het kader van het onderzoek naar de dood van de Britse wapenexpert David Kelly, half juli, die de spil bleek in een hooglopende ruzie tussen de Britse publieke omroep BBC en de regering-Blair over de rechtvaardiging van de oorlog in Irak.

Aanleiding was de beschuldiging van defensie-correspondent Andrew Gilligan van BBC Radio 4 eind mei dat het Irak-dossier misleidend en vervalst (`misguided and false') was. Enkele dagen later voegde hij daar in de krant Mail on Sunday aan toe dat het dossier op instigatie van Blairs communicatie-directeur Alastair Campbell was aangedikt (`sexed up').

De BBC zwakte de aantijgingen later enigszins af. Vanaf dat moment noemde de omroep het bewijs van de regering tegen Saddam twijfelachting (`questionable'). Gilligan zei zich te baseren op een hooggeplaatste bron bij de Britse inlichtingendienst. Na Kelly's dood, vermoedelijk zelfmoord, zei de BBC dat Kelly die bron was.

Op 5 september van het vorig jaar stuurde Blairs communicatie-directeur Alastair Campbell een e-mail aan de chef-staf van de regering-Blair, Jonathan Powell. Strekking: het concept-Irak-dossier dat de inlichtingendienst heeft samengesteld is niet hard genoeg en moet voor publicatie ,,substantieel herschreven'' worden. De e-mail maakt ook duidelijk dat Downing Street ,,echte inlichtingen'' verlangt en dat de voorzitter van het Joint Intelligence Committee (JIC), John Scarlett, en het hoofd van de JIC-staf, Julian Miller, met een nieuwe versie van het dossier moeten komen.

Twaalf dagen later, op 17 september, stuurt Powell naar aanleiding van `aanpassingen' in het dossier een e-mail aan inlichtingen-chef Scarlett. ,,Het dossier is goed en overtuigend voor degenen die overtuigd willen worden'', aldus Powell, aangevend dat er binnen de regering onenigheid bestaat. Vervolgens schrijft Powell: ,,... het document bevat niets dat wijst op een dreiging, laat staan een onmiddellijke dreiging door Saddam. Met andere woorden: het laat zien dat hij de middelen heeft, maar het toont niet aan dat hij van plan is zijn buren aan te vallen, laat staan het Westen. Wij zullen bij de presentatie van het document duidelijk moeten maken dat we niet claimen dat we het bewijs hebben dat hij een onmiddellijke bedreiging vormt. Wat we willen aantonen is dat hij na 1998 door is gegaan met het ontwikkelen van mvw's [massavernietigingswapens, red.] en dat hij daarmee VN-resoluties schendt.''

De regering-Blair publiceert een week later, 24 september, haar Irak-dossier, in een poging parlement en publieke opinie te winnen voor een aanval op Saddam. In het voorwoord schrijft Blair: ,,Ik twijfel er geen moment aan dat de dreiging ernstig en actueel is, dat hij vorderingen maakt met mvw's, en dat hij gestopt moet worden.''

Even verderop slaat Blair het advies van Powell van een week eerder in de wind als hij stelt: ,,Het document onthult dat zijn militaire planning hem in staat stelt verschillende mvw's binnen 45 minuten te gebruiken na een opdracht daartoe.'' Deze presentatie van de 45-minutenclaim als een feit duidt op het `harder' maken van het dossier en daarmee zijn we terug bij de kern van de BBC-beschuldiging.

De gang van zaken roept ten minste twee vragen op: hoe stevig stond Powell op 17 september in zijn schoenen met zijn interpretatie van het dossier? En wat is er tussen Powells advies van 17 september en het definitieve dossier van 24 september eventueel nog aan `harde inlichtingen' over Saddam bijgekomen die de 45-minutenclaim billijken?

Wat de eerste vraag betreft staat Powell niet alleen in zijn voorzichtigheid. Verschillende medewerkers van inlichtingendiensten etaleerden voor de onderzoekscommissie-Hutton vorige week een vergelijkbare terughoudendheid. Beslissend voor het antwoord op de tweede vraag zullen de getuigenissen zijn van Blairs chef-spin doctor Campbell (vandaag), en van de premier zelf (later deze of begin volgende maand).