Algerijnse meestervervalser veroordeeld

De rechtbank in Rotterdam heeft de Algerijn Rabah I. veroordeeld tot een jaar gevangenisstraf wegens het vervalsen van paspoorten. Deelname aan een criminele organisatie acht de rechter niet bewezen.

Volgens het openbaar ministerie (OM) was de 46-jarige Rabah I. een `meestervervalser', die deel uitmaakte van een groep moslimextremisten die vanuit Rotterdam opereerde. Hij verbleef in 2001 in een woning aan de Rotterdamse de De Kempenaerstraat, van waaruit volgens het OM een (voorkomen) aanslag op de Amerikaanse ambassade in Parijs werd voorbereid. Het OM had Rabah I. echter geen rechtstreekse betrokkenheid bij terrorisme of recruteren voor de jihad ten laste gelegd. De eis was drie jaar celstraf wegens het vervalsen van paspoorten en andere documenten, heling van vervalste documenten en lidmaatschap van een criminele organisatie. Het bewijs voor de laatste aanklacht was volgens de rechter te mager.

Twee eerdere rechtszaken tegen vermeende moslimextremisten eindigden in vrijspraak. In december 2002 werden vier verdachten uit de De Kempenaerstraat vrijgesproken van het vervalsen van paspoorten en steunen van de jihad. Hun arrestatie en de huiszoeking waren onrechtmatig, oordeelde de rechtbank, want de bewijsvoering leunde te sterk op informatie van de Algemene Informatie- en Veiligheidsdienst (AIVD), toen nog BVD. De AIVD heeft geen opsporingsbevoegdheid en een ambtsbericht van de dienst is onvoldoende grond om iemand te arresteren. In april oordeelde het Hof in Den Haag dat de arrestatie wel degelijk rechtmatig was.

In een tweede zaak in juni, het spraakmakende `jihadproces' tegen twaalf verdachten, speelde AIVD-informatie opnieuw een sleutelrol. In die zaak luidde een van de aanklachten `hulp aan de vijand in tijd van een oorlog of een gewapend conflict'. Omdat herkomst en feitelijke juistheid van de AIVD-informatie onduidelijk bleven, mocht het niet worden gebruikt. De rechtbank oordeelde dat de door justitie overgenomen beweringen van de AIVD niet waren onderbouwd. De twaalf verdachten werden vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs. Na deze nederlagen voor het OM kondigde minister Donner van Justitie aan dat de wet mogelijk moet worden gewijzigd, ten einde terroristen te kunnen vervolgen.

In tegenstelling tot de zaak tegen de vier verdachten uit de Kempenaerstraat, stelt de rechtbank nu dat AIVD-informatie wel degelijk grond kan zijn voor het aanmerken van iemand als verdachte. ,,Niet alleen het resultaat van handelingen van met opsporing belaste instanties, maar ook informatie van derden, zoals de BVD, kan een redelijk vermoeden van schuld opleveren.''

De rechtbank concludeert dat de aanhouding van de verdachten en de huiszoeking rechtmatig waren, en het daarbij gevonden bewijsmateriaal dus ook. Door de AIVD afgeluisterde telefoongesprekken moeten daarentegen worden uitgesloten als bewijsmateriaal, omdat ,,niet kan worden vastgesteld dat de BVD telefoongesprekken rechtmatig heeft afgeluisterd''.

De uitspraak over het gebruik van AIVD-informatie als bewijsmateriaal kan gevolgen hebben voor het hoger beroep van het openbaar ministerie tegen de vier vermeende moslimextremisten van de De Kempenaerstraat. Dat hoger beroep dient van 27 tot en met 29 oktober.