Vader

Op 7 augustus jongstleden, de dag dat mijn vader werd gecremeerd, bereikte de temperatuur in het nabije Arcen in Noord-Limburg de hoogte van 37,8 graden, de hoogste temperatuur in Nederland sinds 1944 (38,6, Warnsfeld).

Ik had het mijn vader wel gegund als we die dag het record hadden gebroken, want hij was een competitief ingesteld man. Een mens werd op de wereld gezet om iets te bereiken, vond hij, en liefst wat meer dan de meeste anderen. Iets van die instelling moet hij al vroeg op zijn twee zoons hebben overgedragen, zoals bleek uit een anekdote die een neef mij opvallend gretig kort na de uitvaart vertelde. Mijn broer en ik, nog kleine kinderen, zaten in het huis van onze grootouders te dammen en bleken zo slecht tegen ons verlies te kunnen dat opa op zeker moment, het gekibbel over spelregels beu, het dambord woedend oppakte en het mét de schijven langs de openstaande tuindeuren het binnenplaatsje op smeet.

Mijn vader toonde zijn gedrevenheid zowel in zijn werk als zakenman als in zijn sportieve hobby's. Hij vertelde me een paar weken voor zijn dood een kenmerkend detail dat ik niet kende en dat me weer eens bewees dat je nooit genoeg met je ouders kunt praten. Plotseling hoor je iets wat je nog niet eerder wist en wat hun hele persoonlijkheid in een scherper licht plaatst.

Hij had pas op vrij hoge leeftijd – omstreeks zijn vijfentwintigste leren tennissen. Dat is eigenlijk te oud om nog écht iets in zo'n sport te bereiken. Maar mijn vader zette door en werd driemaal achtereen clubkampioen.

Dat kon ik me als een van de toenmalige (partijdige) ballenjongens nog goed herinneren. Maar ik was vergeten dat hij daarna van een andere club lid was geworden om sterkere tegenstanders te krijgen. Hij kwam toen in het gezelschap van spelers die tot de besten van Nederland behoorden en ging kansloos ten onder. Dat speet hem maar hij had het in ieder geval geprobeerd.

Waarom belicht ik juist dit aspect van zijn karakter? Niet alleen omdat het hem typeert, maar ook omdat het verval van iemand het duidelijkst zichtbaar wordt als zijn sterkste eigenschappen in dit geval zijn ambitie vervagen. Mijn vader bleef tot aan zijn dood een intelligent man met een zeer goed geheugen, maar zijn wil om te leven verzwakte de laatste jaren zienderogen, vooral nadat zijn vrouw was overleden. Hij had er geen zin meer in, liet hij telkens merken. Twee jaar lang zei hij bij elk contact: ,,Ik heb toch nog maar twee maanden te leven.''

Hij was te moe en te moedeloos geworden.

Een chronische kwaal bond hem aan zijn bed. Het actieve leven was voorbij. Er viel voor hem niets meer te winnen.

Alleen tegen het einde lichtte er nog even een vonkje van zijn oude levenslust op. We dachten allemaal – ook de artsen – dat hij al urenlang in coma lag, toen hij plotseling wakker werd en honderduit begon te praten. Hij herkende kinderen en kleinkinderen en wist welke dag het was. Zo hebben we nog een paar uur met hem kunnen praten. Tegen middernacht zei hij: ,,Het is mooi geweest'', en toen viel hij langzaam in de langste slaap van zijn leven.

Hoe jammer.

Nu kan ik nooit meer de oude man opzoeken, die mijn werk met zijn mededeelzaamheid verlichtte.