Plicht tot herinnering

EEN VN-RAPPORTEUR over grootschalige schending van mensenrechten sprak ooit van een ,,plicht tot herinnering''. Dat geldt zeker voor Idi Amin, de voormalige dictator van Oeganda die het afgelopen weekeinde na een langdurige ballingschap in Saoedi-Arabië overleed. Hij is de populaire geschiedenis vooral ingegaan als een pompeuze dwaas van het type Bokassa – de despoot zich liet kronen tot keizer van de Centraal-Afrikaanse Republiek. De moordpartijen van Amin onder de bevolking van Oeganda in de jaren zeventig zijn inmiddels ingehaald door de genocide in Rwanda, Congo en Liberia en ze waren ook in zijn eigen land niet uniek. Toch blijft de plicht tot herinnering onverkort aanwezig.

Amin was waarschijnlijk inderdaad gestoord, zoals een Britse Labour-leider indertijd opperde. Maar dat doet niet af aan het exemplarisch karakter van het terreurbewind dat hij vestigde. Dat heeft naar schatting 300.000 mensen het leven gekost (op een bevolking van 12 miljoen), nog afgezien van de tienduizenden Oegandezen van Indiase afkomst die hij het land uitjoeg waarmee de economie werd geruïneerd. Niet alleen de wreedheid van Amin was exemplarisch. Hij werd ook een rolmodel in Afrika als wat is omschreven als ,,de personificatie van agressief zwart nationaal leiderschap''.

De tragiek van Afrika is nu juist dat nationaal leiderschap zo nauw verweven is met patronagesystemen die draaien om een sterke man. Dat is een structureel probleem, betoogt Roel van der Veen in zijn recente boek Afrika. Het cliëntelisme werkt in de hand dat machthebbers met alle middelen vasthouden aan hun positie. Een belangrijke opdracht is dan ook te zorgen voor ,,een nieuwe traditie die het leven in de politiek minder gevaarlijk maakt'' zodat staatshoofden zich ook na hun terugtreden vrij en veilig kunnen bewegen.

Er zijn volgens de auteur voor het eerst in de moderne Afrikaanse geschiedenis voorbeelden aan te wijzen van machtswisselingen zonder geweld, zoals in Kenia. Amin illustreert echter het blijvende probleem van de ,,impunity'', zoals dat in het internationale jargon heet: straffeloosheid voor het begaan van ernstige vergrijpen tegen de mensheid. Amin kreeg asiel, eerst in Libië en daarna in Saoedi-Arabië. Eigenlijk hoorde deze tiran met bloed aan zijn handen voor een rechter te worden gebracht. Een van de eerste dingen die de nieuwe Oegandese regering in 1986 deed was een zogeheten waarheidscommissie in het leven roepen. Een paar hoge functionarissen zijn veroordeeld, maar anderen kregen zelfs een plaats in het nieuwe parlement – en Amin zelf ontsprong geheel de dans.

Is dat, hoe onbevredigend ook, de prijs die dient te worden betaald om uitzichtloos bloedvergieten te voorkomen? De vraag is weer actueel in het geval van Charles Taylor, de sterke man van Liberia die ten slotte het aanbod van asiel in Nigeria heeft aangenomen. Nota bene terwijl er al een arrestatiebevel van een internationaal tribunaal in Sierra Leone tegen hem loopt. Straffeloosheid voor Taylor is een slecht voorbeeld voor aanstaande dictators, protesteerde het weekblad The Economist in een hoofdartikel. Maar het moest toegeven dat de vraag van de haalbaarheid van dit principe uiteindelijk neerkwam op de vraag hoe moeilijk het zou zijn om Taylor daadwerkelijk op te pakken. Dat zou een koud kunstje zijn met hulp van de Amerikanen, vond het blad. Maar de Amerikaanse schepen bleven op de rede liggen. Dus toch maar een vrije aftocht.

De vraag is wel of straffeloosheid een leven lang moet duren, zoals in het geval van Amin. Misdrijven tegen de menselijkheid verjaren niet. Het geval van de voormalige Chileense dictator Pinochet, die op bezoek in Londen ernstig in problemen kwam, heeft duidelijk gemaakt dat de immuniteit van staatshoofden eindig is. Pinochet is uiteindelijk, mede met behulp van een doktersverklaring, weer veilig thuis. Maar zijn geval heeft onmiskenbaar bijgedragen tot de toch al bestaande vragen bij de houdbaarheid van amnestieregelingen om een periode van ernstige schending van mensenrechten af te sluiten. Argentinië levert een recent voorbeeld van dergelijke vragen. De ,,punto final'', zoals dat heet, wordt steeds meer een vraagteken.