Het oedipuscomplex van Idi Amin

Omdat hij niet in staat was tot normale relaties met de wereld om hem heen, vernielde Idi Amin die wereld. Hij was zelf een tragische figuur die enorme tragedies heeft veroorzaakt. Een sleutel om hem te begrijpen is de haat-liefde verhouding met de Britten, vindt Giles Foden.

Mijn connectie met de romanfiguur Idi Amin begon op de veranda van mijn ouders in Mbarara in het westen van Oeganda. Dat was in 1990. Ik was als student creatief schrijven toegelaten tot Cambridge en ik speelde met het idee van een roman over een Afrikaanse dictator. Met mijn blote voeten op de gladde vloer stond ik uit te kijken over het golvende groene bladerdak van de bananenplantages; met mijn ogen volgde ik de weg naar de grens met Rwanda. Iedere avond reden vrachtwagens vol Franse wapens die kant op, in een poging het bewind overeind te houden dat een paar jaar later genocide zou plegen. Iedere ochtend, wanneer mijn vader op zijn Eddystone-kortegolfradio naar BBC Afrika luisterde, glipte meer slecht nieuws door de ether.

Afrika had al zo vele tragedies beleefd. Hoe zouden de onrijpe verzinsels van een Engels groentje daar ooit vat op kunnen krijgen? Het begon mij te dagen dat er maar één manier was om verder te komen: ik moest schrijven over Amin zelf. Dit was een figuur die zelf tragisch was én tragedies had teweeggebracht – hij had de dood van drie- à vijfhonderdduizend mensen op zijn geweten. Maar Amin was niet alleen tragisch, hij was ook een komische figuur. Een voorbeeld voor mijn fictieversie van hem zou ik vinden in de groteske mengeling van deze twee genres die was opgekomen in het theater van de Renaissance, toen de val van de tiran een geliefd thema was bij Engelse toneelschrijvers.

De Oegandese dictator was omstreeks 1925 geboren in Koboko, bij de grens met Soedan. Zijn vader behoorde tot de Kakwa-stam (een marginaal grensvolk), zijn moeder tot de Lugbara, ook een Soedanese groep. Zijn vader liet hem in de steek. Zijn moeder, die volgens sommige berichten een medicijnvrouw zou zijn geweest, sloot zich aan bij de tros van de Britse Koninklijke Afrikaanse Jagers (KAR).

Als jongen verkocht Amin donuts langs de weg. Later werd hij moslim, en soldaat bij de KAR. Mede dankzij de steun van enkele Schotse officieren wist hij zich op te werken tot een van Oeganda's eerste zwarte officieren en – in een schrikbewind dat duurde van 1971 tot 1979 – de eerste kleurentelevisiedictator ter wereld.

Aan gruwelverhalen over hem is geen gebrek, maar wat mij, die zo lang met de man in mijn hoofd heb rondgelopen, meer interesseert, is de vraag naar de geestelijke wortels van zijn gedrag. Bij het schrijven van De laatste koning van Schotland (1998) werd mij duidelijk dat ze ten dele het bijproduct waren van zijn oedipale relatie met de voormalige koloniale machthebbers.

Idi Amin Dada smachtte naar erkenning door Britse functionarissen; toen zij stilzwijgend instemden met de coup van januari 1971 die hem aan de macht bracht, leek hij de hoofdprijs te hebben binnengehaald. Nu kon hij zijn heren en meesters laten zien wat hij waard was. ,,Goedaardig maar hard'', meldde de Britse inlichtingendienst. ,,Groot-Brittannië welgezind, misschien in een mate die hem kan schaden in Afrikaans verband.'' Het ministerie van Buitenlandse Zaken trok de conclusie dat Amin hun hulp nodig had, en gaf de aanbeveling om hem wapens te leveren. Hij was er één van ons, niet zo iemand die herrie zou schoppen over Rhodesië of Zuid-Afrika, wél iemand die niets ophad met de communistische neigingen van buurlanden.

In juli 1971 bereidde Groot-Brittannië een staatsbezoek van Amin voor. Notities over hem werden voorgelegd aan premier Edward Heath. Die gingen over zijn bouw (,,hij zal een speciaal bed nodig hebben'') en ze waarschuwden voor zijn ,,verwarde politieke ideeën''. Ze bevestigden dat Amin ,,duidelijk veel waarde hecht aan de erkenning en steun van de Britse regering''. Wel, daaran kon worden tegemoet gekomen door te voldoen aan zijn wensen om de koningin te ontmoeten, Schotland te bezoeken en in zee te zwemmen.

Het verzoek om een bezoek aan Schotland raakt de kern van de zaak. Toen Groot-Brittannië Amin liet vallen omdat zijn gedrag beschamend was voor zijn vroegere beschermheren, bood Schotland hem de navelstreng naar de koloniale moeder. Zijn haat jegens het Verenigd Koninkrijk, en de hoop dat het zou scheuren, kon hij uitleven door de loftrompet te steken over Schotland en op te komen voor het Schotse zelfbeschikkingsrecht.

Maar voordat het zover was, haakte hij nog naar erkenning door Westminster. Hij begreep er niets van dat die uitbleef, dat ze niet zo gemakkelijk kwam als indertijd van de Schotse officieren die bier met hem hadden gedronken en rugby met hem hadden gespeeld (waarbij zij hem voor de wedstrijd met een hamer op zijn hoofd sloegen op hem op te jutten).

Dat iemand de aandacht wil trekken is niet zo vreemd, dat vind je in alle mogelijke families en op iedere werkplek. Filosofen hebben getheoretiseerd over onze behoeften op dit punt. In het hoofdstuk `Heerschappij en knechtschap' van zijn Fenomenologie schrijft Hegel dat mensen slechts bestaan ,,door erkenning''. Alles is mooi en fijn voor wie erkenning krijgt, alles verkeerd als ze uitblijft. Maar hoeveel treuriger nog is het als de kwaaie bui van de miskende een land twintig jaar lang in chaos stort en – in de burgeroorlogen die volgden op zijn regime – miljoenen doden veroorzaakt.

Hoe kan zulke stof in de handen van een schrijver een komedie opleveren?Alleen door een scheve kijk op de dingen. ,,Ik ben de grootste politicus ter wereld. Ik heb de Britten zo bang gemaakt dat ze me doctor in de filosofie zouden moeten maken.'' Net als Monsieur Jourdain in Molières Le bourgeois gentilhomme had Amin het hoog in de bol, zag hij zichzelf anders dan anderen hem zagen. Die sluier tussen Amin en de werkelijkheid maakte hem amusant, maar soms prikte hij zelf de grappen door. Het moeilijkst aan hem te begrijpen was hoe hij zo handig kon zijn en tegelijkertijd zo'n sukkel.

Dit gevoel van ten dele beheerste verwarring heb ik geprobeerd in mijn roman te laten zien. Zes jaar lang heb ik met de voormalige bokskampioen van Oeganda geworsteld – ik stond er om half zes voor op, zodat ik kon schrijven voordat mijn werk voor The Times literary supplement begon, en ik ging ermee door zodra ik weer thuiskwam.

Was Amin gek? ,,Dit bewijst dat ik niet gek ben'', zei hij in 1974 tegen minister van Buitenlandse Zaken Jim Callaghan toen hij hem toeliet bij gijzelaar Denis Hills, die Callaghan was komen redden. Kan zijn, maar Callaghan heeft mij persoonlijk verteld dat, toen de vrijlating van Hills eenmaal rond was, Amin de Britse premier in spe meenam voor een angstwekkende rit in zijn jeep door Kampala.

Het ging van kwaad tot erger. Er werden meer mensen gedood, en de economische crisis werd ernstiger. Harold Wilson, die Callaghan als premier opvolgde, kreeg een plan voorgelegd om Amin te laten vermoorden, maar wees het af. De dictator overleefde het en ging in ballingschap, hij ging vissen in Jeddah en rondrijden in zijn Chevrolet Caprice. Mettertijd zou Amin hapklare stof leveren voor tv-series over dictators, waarin hij zijn plaats kreeg naast Bokassa, Pinochet en Stalin. Hij wordt ook vaak vergeleken met Saddam Hussein, maar dat is gezocht. Amin wist niet eens een persoonlijkheidscultus op te bouwen, iets waar Saddam heel goed in was. Hij was te simpel en te wreed om zelfs maar te voldoen aan de `simpele wreedheid' die de historicus Jacob Burckhardt het kenmerk van de moderne tiran noemt.

Nog een element van de despoot dat van belang was bij het schrijven van `De laatste koning van Schotland', was zijn vermogen tot schransen. Net als Gargantua van Rabelais had Amin een mateloze vraatzucht. Deze eens zo knappe man zwol op tot kolossale afmetingen – dat hij een bezield keelgat werd, was nóg een aspect van zijn tragische ondergang.

Was Amin slechts een uit de hand gelopen Britse marionet? Dát zou hem pas echt tragisch hebben gemaakt, maar zo simpel ligt het niet. Hij had wel íets van een eigen wil, en politieke leiders van diverse landen hebben geprobeerd hem te manipuleren. Koning Faisal van Saoedi-Arabië heeft het tenslotte gewonnen: een uitnodiging van die vorst, de vader van de huidige koning, verklaart waarom Amin zijn laatst decennia heeft doorgebracht in Jeddah.

Voordat het tot die aangename pensionering kwam, was Amin als één van de volwassen psychopaten die worden beschreven in het werk van D.W. Winnicott en zijn school. Als `bevroren kind' ontwikkelde hij een scheve houding ten opzichte van de buitenwereld waarin het wankele begin van zijn loopbaan en zijn gebrek aan ontwikkeling hem zo onvoorbereid hadden gedumpt. Hij vervloeide met zijn omgeving, verloor zozeer het zicht op zijn grenzen dat hij zich voor almachtig hield, voor een door toverspreuken beschermde uitverkorene van God. Omdat hij niet in staat was tot normale relaties met de wereld buiten hem, vernielde hij die wereld, liet hij de mensen doden die zich tegen hem keerden, of van wie hij dacht dat ze zich tegen hem keerden.

Men noemt hem kwaadaardig, een opvatting die steunt op zijn nooit bewezen kannibalisme en zijn overbekende gerommel met rituele toverij. Op een keer, toen ik 's avonds laat, tikkend op mijn schrijfmachine in mijn Londense flat, `De laatste koning van Schotland' een moordscène beschreef, meende ik iets te bespeuren van een occulte aanwezigheid, een duivelse adem in mijn nek – het was waarschijnlijk gewoon de tocht. Toch heb ik nog altijd het gevoel van een verplichting jegens Amins miraculeuze tong – die verbluffende uitspraken, die altijd tot klucht werden omdat ze de waarheid op een haartje misten. Nooit is een roman zozeer gedicteerd.

Als hij dat ook zo zag, dan heeft hij dat niet laten weten. Toch is er, een paar jaar nadat het boek was verschenen, een soort contact geweest. Een Schotse zakenman die voor de Saoedische koninklijke familie werkte, belde mij op en zei: ,,Ik heb een boodschap voor u.'' Die kwam van Idi, zei de geheimzinnige beller. Amin had een vertaling in het Swahili van de roman gelezen, en hij had er commentaar op. ,,Er zit te veel fictie in. En op het omslag zie ik eruit als een volgepropte aap!''

Giles Foden is schrijver.

© The Guardian.