De Olympische Spelen van 1928

`Gymnastiek voor vrouwen' heette het in Amsterdam officieel. Het was voor de eerste keer dat het turnen voor de vrouwen een olympische discipline was. Tot dan mochten de meisjes hun kunnen bij de Spelen enkele keren slechts als `demonstratiesport' vertonen. Maar zelfs nu hun turnen tot een volwaardige tak van sport was opgewaardeerd bleef het voor de vrouwen, in vergelijking met de turners, toch een beetje sappelen. Zo stond er voor hen alleen een meerkamp voor landenploegen op het programma waar de mannen ook nog eens individueel medailles konden winnen op de meerkamp, het paard, het rek, de ringen en de brug.

Er was voor de dames in meer dan een opzicht nog een wereld te winnen. Neem alleen al de meerkamp zelf: dat was eigenlijk nog een allegaartje van drie onderdelen (een gezamenlijke oefening met knotsen en zo, paardspringen en toestelnummers) waarvan de invulling grotendeels de tien dames tellende ploegen zelf werd overgelaten. Hoe anders is dat tegenwoordig in het turnen. Daarvan is het in elk geval niet meer voorstelbaar dat een toernooi, zoals in 1928, in de open lucht wordt afgewerkt. Bij de vrouwen deden er op de grasmat van het Olympisch Stadion maar vijf landen mee – ook dit zou op den duur beter worden – aan het turntoernooi, waaronder Nederland dat het goud won. Op de jurering werd – ook toen al – het nodige aangemerkt. Zo werden er vraagtekens gezet bij de (hoge) waardering van Hongarije bij de gezamenlijke oefening. Ook zou de Nederlandse ploeg van sommige juryleden meer punten hebben gekregen als de dames op de verschillende onderdelen niet zoveel mannelijk ogende oefeningen hadden gedaan. Voor het overwegend Nederlandse publiek (niet zo vreemd: van de ruim 650.000 toeschouwers bij de Olympische Spelen kwamen er maar 10.000 uit het buitenland, waarvan de helft uit Duitsland) op de matig bezette tribunes maakte dat niet zoveel uit: goud is goud.

Derde deel van een korte serie over de Olympische Spelen die 75 jaar geleden in Amsterdam werden gehouden.